202407440/1/A2.
Datum uitspraak: 31 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], handelend onder de naam [bedrijf], gevestigd in Rotterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2024 in zaak nr. 24/1389 in het geding tussen:
[bedrijf]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 18 juli 2023 (hierna: het verkeersbesluit) heeft het college diverse verkeersmaatregelen voor vrachtverkeer in Oud-Charlois in Rotterdam ingesteld.
Bij besluit van 21 december 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 31 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 oktober 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. A. Durmus, advocaat in Den Haag, en ing. R.A. Bruinsma en het college, vertegenwoordigd door mr. W. Breure en R.S. Slaghek, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is een eenmans-timmerfabriek die is gevestigd aan de [locatie] in de wijk Oud-Charlois in Rotterdam. De activiteiten van [appellant] bestaan voornamelijk uit de productie van hardhouten kozijnen, ramen en deuren. Daarnaast heeft [appellant] een glasgroothandel.
Besluitvorming
2. Met het verkeersbesluit heeft het college diverse verkeersmaatregelen voor vrachtverkeer in de wijk Oud-Charlois ingesteld. Deze maatregelen omvatten onder meer inrijverboden voor voertuigen en samenstellen van voertuigen met een lengte van meer dan twaalf meter voor enkele straten in Oud-Charlois. Hierdoor kunnen vrachtauto’s met een lengte van meer dan twaalf meter [appellant] alleen vanaf de noordkant, via de Frans Bekkerstraat, bereiken.
3. Het college heeft aan het besluit van 18 juli 2023 ten grondslag gelegd dat in de wijk overlast wordt ervaren van lang vrachtverkeer. Verder komt het weren van groot vrachtverkeer uit bepaalde straten die niet geschikt zijn voor dergelijk verkeer de verkeersveiligheid en bereikbaarheid ten goede. Het college heeft bij het besluit van 21 december 2023 het besluit van 18 juli 2023 gehandhaafd, onder aanvulling van de motivering. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het doel van het besluit is om de veiligheid op de weg te verzekeren en passagiers en weggebruikers te beschermen. Door vrachtverkeer via vaste routes te laten rijden, wordt de verkeersveiligheid verbeterd. Daarbij zijn veel straten in dit deel van de wijk niet geschikt voor groot vrachtverkeer, waardoor zij zich klemrijden en stremmingen ontstaan. Door vrachtverkeer op deze plekken te mijden, wordt het risico op slachtoffers onder medeweggebruikers verkleind. Verder heeft het college aan de belangenafweging toegevoegd dat, hoewel de bereikbaarheid van [appellant] hierdoor is beperkt, hij niet onbereikbaar is geworden. Tot slot heeft het college aan het besluit van 21 december 2023 aanvullend ten grondslag gelegd dat de korpschef van de politie bij brief van 23 augustus 2023 positief heeft geadviseerd over de te nemen maatregelen. Deze brief is, aldus het college, de schriftelijke versie van het mondelinge advies dat de politie eerder over het besluit heeft gegeven.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit op bezwaar niet in strijd is met artikel 24 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: BABW), omdat deze bepaling geen vereisten stelt aan de manier waarop het overleg met de korpschef van de politie plaatsvindt. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat het besluit dient ter behartiging van de in artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) genoemde belangen van het verzekeren van de veiligheid op de weg en het beschermen van weggebruikers en passagiers. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het college het belang van de verkeersveiligheid heeft mogen laten prevaleren boven het belang van [appellant]. Ook zijn de nadelige gevolgen van het verkeersbesluit voor [appellant] niet onevenredig in verhouding tot de te dienen doelen, omdat de bereikbaarheid van [appellant] slechts enigszins is beperkt en [appellant] niet onbereikbaar is geworden en ook niet is gebleken van problemen bij het laden en lossen.
Hoger beroep en beoordeling
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van strijd met artikel 24 van het BABW. Doordat geen verslag is gemaakt van het gesprek, is niet controleerbaar dat het advies van de politie voorafgaand aan het besluit van 18 juli 2023 is gegeven, terwijl dit op grond van het BABW en de Nota van Toelichting daarbij wel had gemoeten.
5.1. Artikel 24 van het BABW luidt, voor zover relevant, als volgt: "Verkeersbesluiten worden genomen na overleg met: de korpschef". Voor zover aan het besluit van 18 juli 2023 een gebrek kleeft, geldt dat in elk geval niet voor het besluit van 21 december 2023 dat het college heeft genomen op het bezwaar van [appellant]. Het college is op grond van artikel 7:11 van de Awb gehouden tot een volledige heroverweging van zijn besluit. Ten behoeve van het besluit van 21 december 2023 heeft de politie haar advies op schrift gesteld, zodat het vereiste overleg dus heeft plaatsgevonden. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het besluit van 21 december 2023 niet in strijd is met artikel 24 van het BABW.
6. De grond die [appellant] in hoger beroep aanvoert over strijd van het besluit met artikel 2 van de Wvw is zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7.1 tot en met 7.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college de absolute noodzaak van het verkeersbesluit niet hoeft aan te tonen. Het college heeft toegelicht dat het om veiligheidsredenen met het verkeersbesluit heeft beoogd vrachtverkeer uit de wijk te weren. Het verkeersadvies dat door [appellant] is overgelegd biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat het college de beoogde doelen niet met het verkeersbesluit kan bereiken, zoals de rechtbank ook al terecht heeft geconcludeerd. Verder heeft het college er op de zitting navolgbaar op gewezen dat de door [appellant] genoemde voorgestelde aanpassing aan het verkeersbesluit, namelijk het verplaatsen van het bord en onderbord van de kruising Frans Bekkerstraat-Verboomstraat naar de kruising Verboomstraat-Voornsevliet, juist zou afdoen aan de beoogde effecten van de door het college getroffen maatregel.
7. [appellant] betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bij de totstandkoming van het besluit van 21 december 2023 de belangen zorgvuldig heeft afgewogen. Hij voert daartoe aan dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang dat vrachtverkeer hem van zowel het zuiden als het noorden kan bereiken.
7.1. Zoals de rechtbank onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling heeft overwogen, heeft het college beleidsruimte bij de afweging van de betrokken verkeersbelangen (uitspraak van 6 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4493). De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college de door [appellant] aangevoerde belangen heeft meegewogen. Zo heeft het college meegewogen dat de beperking niet geldt voor vrachtauto’s die minder lang zijn dan twaalf meter. Bovendien is de bereikbaarheid van [appellant] weliswaar beperkt, maar het is niet onmogelijk geworden om hem te bereiken en te laden en te lossen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid om het besluit van 21 december 2023 te nemen. Daarbij is verder relevant dat [appellant], ook ter zitting bij de Afdeling, niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de nadelige gevolgen zijn van het verkeersbesluit, noch dat de beperking zodanige impact heeft op zijn bedrijfsvoering dat die gevolgen onevenredig zijn in verhouding tot de te dienen doelen van het verkeersbesluit. Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2025
284/705-1175