ECLI:NL:RVS:2025:6420
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
Op 31 december 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een hoger beroep van een appellant tegen de minister van Asiel en Migratie. De zaak betreft een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de minister op 9 oktober 2025 niet in behandeling is genomen. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, verklaarde op 10 december 2025 het beroep van de appellant ongegrond. De appellant, vertegenwoordigd door mr. E.A. Welling, heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.
De Raad van State heeft in zijn overwegingen vastgesteld dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De reden hiervoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden, zoals vermeld in artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De Afdeling bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.
De uitspraak is gedaan door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Koelman, griffier. De uitspraak is openbaar uitgesproken op 31 december 2025.