ECLI:NL:RVS:2025:6337
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering omgevingsvergunning aanleg aanlegsteiger Rotterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam weigerde op 14 juli 2022 een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een aanlegsteiger nabij Johan de Wittlaan 44 in Rotterdam. De aanvraag betrof een steiger van 15 meter lang met twee haakse delen van 5 meter elk, die volgens het bestemmingsplan 'Kern en Plassen 2009' een maximale breedte van 1,5 meter mocht hebben. Het college stelde dat de aanvraag in strijd was met de planregels, met name artikel 25.4, en dat er bovendien al een aanlegsteiger aanwezig was op het bouwperceel, waardoor slechts één steiger per perceel is toegestaan.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant en anderen ongegrond en bevestigde de weigering van de vergunning. In hoger beroep betoogden appellant en anderen dat de breedte van 1,5 meter slechts betrekking zou hebben op de steigerplanken en dat de percelen niet als één bouwperceel mochten worden beschouwd. Ook voerden zij een beroep op het gelijkheidsbeginsel aan, verwijzend naar een vergunning voor een vergelijkbare steiger aan Plasoord 34.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de planregel letterlijk moet worden uitgelegd en dat de breedte van 1,5 meter betrekking heeft op de maximale breedte van de aanlegsteiger langs de oever. De percelen moeten als één bouwperceel worden gezien, waardoor slechts één aanlegsteiger is toegestaan. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situatie aan Plasoord 34 niet vergelijkbaar was en handhaving tegen illegale steigers een andere bevoegdheid betreft dan de vergunningverlening. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning bevestigd.