AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen wijzigingsplan Camping Klein-Rijnsburg wegens gebrek aan belanghebbendheid
Het college van burgemeester en wethouders van Veere stelde op 27 juni 2023 het wijzigingsplan 'Camping Klein-Rijnsburg' vast, waarbij het aantal permanente standplaatsen op een kleinschalig kampeerterrein werd gewijzigd van 0 naar 5. Appellant, die een kleinschalig kampeerterrein op een andere locatie in Veere wil exploiteren, stelde beroep in tegen dit besluit.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat appellant geen zienswijze had ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan en dat zijn beroep daarom alleen ontvankelijk kon zijn indien hij belanghebbende was. Appellant voerde een concurrentiebelang aan, maar de Afdeling stelde vast dat vanwege het ruime aanbod van permanente kampeerplaatsen op Walcheren het geringe aantal van 5 standplaatsen in het wijzigingsplan geen feitelijke gevolgen voor appellant zou hebben.
Daarmee ontbrak het aan een rechtstreeks betrokken belang en werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling behandelde het beroep niet inhoudelijk en kende geen proceskosten toe.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het wijzigingsplan is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtstreeks belang.
Uitspraak
202305751/1/R1.
Datum uitspraak: 19 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Veere,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Veere,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 27 juni 2023 heeft het college het wijzigingsplan "Camping Klein-Rijnsburg" te Oostkapelle vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[maatschap] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
[appellant] en de maatschap hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 december 2024, waar [appellant], vertegenwoordigd door A.H. van Leeuwen, rechtsbijstandverlener in Veere, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.A. Kaan, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een wijzigingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het wijzigingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 2 maart 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan voorziet in een wijziging van het bestemmingsplan "3e Herziening Buitengebied Veere" voor het perceel Noordweg 60A te Oostkapelle, kadastraal bekend gemeente Veere, sectie K. nrs. 3471 en 3510. Op grond van dit bestemmingsplan is op het perceel een kleinschalig kampeerterrein toegestaan met maximaal 25 standplaatsen. De maatschap exploiteert dit kampeerterrein. De wijziging ziet - kort gezegd - op wijziging van het aantal permanente standplaatsen van 0 naar 5.
[appellant] wil aan de [locatie] te Veere, op ongeveer 5 kilometer afstand van het perceel van de maatschap, ook een kleinschalig kampeerterrein exploiteren met 5 permanente standplaatsen. Hij kan zich niet verenigen met de wijziging van het bestemmingsplan.
Ontvankelijkheid
3. De Afdeling stelt vast dat [appellant] geen zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan, waarmee zijn beroep op voorhand ontvankelijk zou zijn (zie daartoe de uitspraak van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, en de uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953). Niet gebleken is dat dit hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Of het beroep van [appellant] ontvankelijk is, is daarom afhankelijk van de vraag of hij belanghebbende is.
3.1. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 vanPro de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
3.2. [appellant] heeft gesteld dat hij een concurrentiebelang heeft. Hierover overweegt de Afdeling als volgt.
Een onderneming heeft een concurrentiebelang als zij bedrijfsactiviteiten ontplooit in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment als waarin de bedrijfsactiviteiten van haar concurrent plaatsvinden. Degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:518, is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit belanghebbende. Bij concurrenten gaat de Afdeling er in beginsel van uit dat feitelijke gevolgen (zoals omzetverlies) kunnen worden ondervonden indien de concurrent werkzaam is in hetzelfde marktsegment en in hetzelfde verzorgingsgebied als de activiteit waarover het besluit gaat. Voor de beoordeling van de belanghebbendheid van concurrenten hanteert de Afdeling niet de correctie van het criterium "gevolgen van enige betekenis".
[appellant] is sinds een aantal jaar bezig om een omgevingsvergunning te verkrijgen voor een kleinschalig kampeerterrein op zijn perceel met 25 standplaatsen waarvan 5 permanente standplaatsen. Hij heeft sinds 2013 meerdere aanvragen om een vergunning ingediend bij het college. Het college heeft op dit moment een aanvraag van [appellant] om een vergunning in behandeling. Indien [appellant] het kampeerterrein realiseert, zal hij werkzaam zijn in hetzelfde marktsegment en in hetzelfde verzorgingsgebied.
De Afdeling constateert echter dat het een feit van algemene bekendheid is dat op Walcheren duizenden permanente kampeerplaatsen zijn. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling uitgesloten dat [appellant] door de toevoeging van het geringe aantal van 5 permanente standplaatsen, feitelijke gevolgen zal ondervinden als gevolg van het besluit. Dat betekent dat zijn concurrentiebelang niet rechtstreeks is betrokken bij het besluit. De Afdeling sluit hierbij aan bij haar uitspraak van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1498, onder 12.2. Het beroep van [appellant] is daarom niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de Afdeling het beroep niet inhoudelijk behandelt.
Conclusie
4. Het beroep is niet-ontvankelijk.
5. Het college heeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.