ECLI:NL:RVS:2025:6303

Raad van State

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
202501503/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing aanvraag uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven

In deze zaak heeft de appellante een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven, waarbij zij stelt dat zij in 1987/1988 tijdens haar zwangerschap in het ziekenhuis in Haarlem met medicijnen is vergiftigd door haar gynaecoloog. Dit zou hebben geleid tot ernstige, chronische gezondheidsschade, waaronder problemen met haar gebit, huid en schildklier, alsook psychisch letsel. De aanvraag werd door de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) afgewezen op 29 augustus 2022. Het bezwaar dat de appellante hiertegen indiende, werd op 8 december 2022 ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam heeft het beroep tegen deze beslissing op 16 januari 2025 eveneens ongegrond verklaard, waarna de appellante in hoger beroep ging.

De mondelinge uitspraak vond plaats op 16 december 2025, waarbij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State de zaak behandelde. De appellante heeft tijdens de zitting nieuwe stukken ingediend, maar deze werden buiten beschouwing gelaten omdat ze te laat waren ingediend. De Afdeling oordeelde dat de medische en psychische situatie van de appellante niet in geschil was, maar dat het ging om de juridische beoordeling van het besluit van de CSG. De Afdeling bevestigde dat de CSG de uitkering moet kunnen verantwoorden en dat de appellante voldoende objectieve aanwijzingen moet aanleveren om haar claim te onderbouwen.

De Afdeling concludeerde dat de rechtbank op goede gronden had geoordeeld dat de appellante er niet in was geslaagd om de toedracht van het gestelde geweldsmisdrijf en de omstandigheden waaronder dit plaatsvond, te onderbouwen. Er waren geen nieuwe gezichtspunten naar voren gekomen die de eerdere oordelen konden weerleggen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard, en het college werd niet verplicht om proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

202501503/1/A2.
Datum uitspraak: 16 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 januari 2025 in zaak nr. 23/399 in het geding tussen:
[appellante]
en
Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven.
Openbare zitting gehouden op 16 december 2025 om 15:15 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. S. Yildiz
Verschenen:
[appellante] en [persoon];
Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG), vertegenwoordigd door mr. Y. Pieters;
[appellante] heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (het fonds). Zij heeft daarbij gesteld dat zij in 1987/1988 tijdens haar zwangerschap in het ziekenhuis in Haarlem met medicijnen is vergiftigd door haar gynaecoloog. Daardoor heeft zij ernstige, chronische gezondheidsschade opgelopen aan onder andere haar gebit, haar huid en haar schildklier. Ook heeft zij psychisch letsel opgelopen. Deze aanvraag is door de CSG afgewezen bij besluit 29 augustus 2022. Bij besluit van 8 december 2022 heeft de CSG het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vervolgens het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 16 januari 2025 ongegrond verklaard. Het hoger beroep richt zich tegen deze uitspraak.
Beslissing
De Afdeling
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering
1.       [appellante] heeft op de zitting bij de Afdeling een toelichting overgelegd, met daarbij een aantal, volgens haar deels nieuwe, stukken. De Afdeling heeft daarover op de zitting beslist dat de nieuwe stukken buiten beschouwing blijven, omdat die te laat zijn ingediend.
2.       De Afdeling stelt voorop dat de medische en psychische situatie van [appellante] niet in geschil is. Deze moeilijke situatie is ook door de rechtbank en de CSG onderkend en zowel op de zitting bij de rechtbank als op de zitting bij de Afdeling uitvoerig besproken. De Afdeling moet echter toetsen of het oordeel van de rechtbank over het besluit van de CSG juist is. Dat is een juridisch oordeel. De Afdeling heeft eerder overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:520) dat een uitkering uit het schadefonds een financiële tegemoetkoming is, die wordt gefinancierd uit belastinggeld en moet worden gezien als een uiting van solidariteit van de samenleving met het slachtoffer. De CSG dient deze uitkering te kunnen verantwoorden. Zij doet dit door te beoordelen of de aanvrager van een uitkering uit het fonds het gestelde geweldsmisdrijf voldoende aannemelijk heeft gemaakt met objectieve aanwijzingen. Alles wat [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd, had zij ook bij de rechtbank al aangevoerd. De rechtbank is daarop uitvoerig gemotiveerd ingegaan in de overwegingen 6 tot en met 9 van haar uitspraak en heeft uitgelegd waarom uit alle stukken die [appellante] heeft overgelegd onvoldoende duidelijk is geworden over de toedracht en de omstandigheden rondom de zwangerschap en de bevalling en over de oorzaak van haar medische klachten, zoals dat een arts haar expres met medicijnen heeft willen vergiftigen. [appellante] is het niet eens met de rechtbank, omdat zij vindt dat duidelijk uit de (medische) stukken en de verklaring van haar zus blijkt dat de artsen rondom de bevalling van haar zoon grote fouten hebben gemaakt en dat dit opzettelijk was. Dat is op de zitting bij de Afdeling besproken, maar er zijn geen nieuwe gezichtspunten of aanknopingspunten naar voren gekomen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat [appellante] er niet in is geslaagd om met stukken de toedracht van het gestelde geweldsmisdrijf en de omstandigheden waaronder het plaatsvond te onderbouwen. Er is dus niet aannemelijk geworden dat sprake was van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. De Afdeling onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank in overwegingen 6 tot en met 9. Het hoger beroep is daarom ongegrond.
3.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Yildiz
griffier
594