ECLI:NL:RVS:2025:6303
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing aanvraag uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven
In deze zaak heeft de appellante een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven, waarbij zij stelt dat zij in 1987/1988 tijdens haar zwangerschap in het ziekenhuis in Haarlem met medicijnen is vergiftigd door haar gynaecoloog. Dit zou hebben geleid tot ernstige, chronische gezondheidsschade, waaronder problemen met haar gebit, huid en schildklier, alsook psychisch letsel. De aanvraag werd door de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) afgewezen op 29 augustus 2022. Het bezwaar dat de appellante hiertegen indiende, werd op 8 december 2022 ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam heeft het beroep tegen deze beslissing op 16 januari 2025 eveneens ongegrond verklaard, waarna de appellante in hoger beroep ging.
De mondelinge uitspraak vond plaats op 16 december 2025, waarbij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State de zaak behandelde. De appellante heeft tijdens de zitting nieuwe stukken ingediend, maar deze werden buiten beschouwing gelaten omdat ze te laat waren ingediend. De Afdeling oordeelde dat de medische en psychische situatie van de appellante niet in geschil was, maar dat het ging om de juridische beoordeling van het besluit van de CSG. De Afdeling bevestigde dat de CSG de uitkering moet kunnen verantwoorden en dat de appellante voldoende objectieve aanwijzingen moet aanleveren om haar claim te onderbouwen.
De Afdeling concludeerde dat de rechtbank op goede gronden had geoordeeld dat de appellante er niet in was geslaagd om de toedracht van het gestelde geweldsmisdrijf en de omstandigheden waaronder dit plaatsvond, te onderbouwen. Er waren geen nieuwe gezichtspunten naar voren gekomen die de eerdere oordelen konden weerleggen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard, en het college werd niet verplicht om proceskosten te vergoeden.