ECLI:NL:RVS:2025:6302

Raad van State

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
202500511/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing urgentieaanvraag op sociaal-medische gronden

In deze zaak heeft [appellant] een urgentieaanvraag ingediend op sociaal-medische gronden, omdat zijn woning van 43 vierkante meter te klein is voor zijn gezin dat in 2023 naar Nederland is gekomen. Daarnaast heeft hij rugklachten, waardoor hij moeite heeft met traplopen. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft de aanvraag op 7 oktober 2023 afgewezen, met verwijzing naar meerdere algemene weigeringsgronden. Na een ongegrond verklaard bezwaar op 16 februari 2024, heeft de rechtbank Amsterdam op 12 december 2024 het beroep van [appellant] tegen deze afwijzing ook ongegrond verklaard. Het hoger beroep is gericht tegen deze uitspraak van de rechtbank.

De mondelinge uitspraak vond plaats op 16 december 2025, waarbij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigde. De Afdeling oordeelde dat [appellant] niet voldoende had aangetoond dat er sprake was van een acuut levensbedreigende situatie die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigde. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de medische situatie van [appellant] niet voldoende onderbouwd was, en dat de klachten van rugpijn en angst om te vallen niet voldoende waren om de hardheidsclausule toe te passen. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

202500511/1/A2.
Datum uitspraak: 16 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2024 in zaak nr. 24/1568 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Openbare zitting gehouden op 16 december 2025 om 10:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. S. Yildiz
Verschenen:
[appellant], vertegenwoordigd door mr. R.A. van Heijningen, advocaat in Amsterdam;
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. J. van den Boorn;
[appellant] heeft een urgentieaanvraag op sociaal-medische gronden ingediend omdat zijn woning, een tweekamerwoning van 43 vierkante meter, te klein is voor zijn gezin dat in 2023 naar Nederland is gekomen. Verder heeft [appellant] aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij rugklachten heeft, waardoor hij moeite heeft met traplopen. Het college heeft bij besluit van 7 oktober 2023 de urgentieaanvraag van [appellant] afgewezen. Volgens het college is sprake van meerdere algemene weigeringsgronden. Bij besluit van 16 februari 2024 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vervolgens bij uitspraak van 12 december 2024 het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep richt zich tegen deze uitspraak.
Beslissing
De Afdeling
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering
1.       [appellant] is niet opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverwegingen 6 en 7 dat in dit geval sprake is van vier algemene weigeringsgronden. Het hoger beroep richt zich tegen rechtsoverweging 9 van de uitspraak van de rechtbank, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat het college tot de conclusie mocht komen dat de hardheidsclausule in de situatie van [appellant] niet toegepast hoefde te worden. De rechtbank heeft daarover overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor een acuut levensbedreigende situatie, wat in Amsterdam nodig is voor toepassing van de hardheidsclausule, zodat er geen aanleiding was nader onderzoek te doen naar de medische situatie van [appellant]. Moeite met traplopen en angst om te vallen is daarvoor volgens de rechtbank onvoldoende. Wat [appellant] in hoger beroep in dit verband naar voren heeft gebracht komt neer op een herhaling van de beroepsgrond bij de rechtbank. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 9. In hoger beroep heeft [appellant] geen nadere stukken ingediend ter onderbouwing van de medische situatie. Het betoog op de zitting dat sprake is van een combinatie van factoren en dat de rechtbank dit niet heeft onderkend, slaagt niet. Dat betoog leunt in de kern ook op de gestelde levensbedreigende medische situatie van [appellant], die uit zijn rugklachten zou volgen. Dat blijkt echter, gelet op de beschikbare medische gegevens, niet uit die stukken. De verklaringen van de huisarts en de radioloog zijn hiertoe inderdaad onvoldoende. Het betoog van [appellant] slaagt niet.
2.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Yildiz
griffier
594