202400037/1/A2.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Haaglanden Beweegt B.V., gevestigd in Delft,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 november 2023 in zaak nr. 22/4166 in het geding tussen:
Haaglanden Beweegt
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 19 november 2021 heeft het college de subsidieaanvraag van Haaglanden Beweegt in het kader van de Subsidieregeling combinatiefunctionarissen sport Den Haag 2021 (hierna: Subsidieregeling), categorie C, afgewezen.
Bij besluit van 10 juni 2022 heeft het college het door Haaglanden Beweegt daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 november 2023 heeft de rechtbank het door Haaglanden Beweegt daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Haaglanden Beweegt hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Haaglanden Beweegt en het college hebben ieder een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 april 2025, waar Haaglanden Beweegt, vertegenwoordigd door mr. J.E. Hamann, advocaat in Den Haag, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A. Huijgen, advocaat in Den Haag, en mr. R. Kurvink en S.R. Buikema, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Haaglanden Beweegt is een organisatie die zich inzet voor een gezonde en actieve leefomgeving in verschillende gemeenten binnen de regio Haaglanden. Zij heeft in het kader van de Subsidieregeling een subsidieaanvraag ingediend voor de subsidie categorie C (hierna: de subsidie). Het doel van de subsidie is het bevorderen dat organisaties combinatiefunctionarissen aanstellen en begeleiden, die kinderen in de leeftijd 6 tot 18 jaar na schooltijd kennis laten maken met sporten en bewegen. Het subsidieplafond daarvoor bedraagt € 1.585.00,00. Als het bedrag van het subsidieplafond zou worden overschreden als alle subsidiabele aanvragen zouden worden gehonoreerd, dan wordt de subsidie verdeeld volgens een zogenoemde tenderprocedure.
2. Het college heeft de subsidieaanvraag van Haaglanden Beweegt afgewezen. Haaglanden Beweegt voldoet volgens het college niet aan de voorwaarde dat alle activiteiten buiten plaatsvinden op de door de gemeente hiervoor aangewezen pleinen en speelvelden, als bedoeld in artikel 1:4, vierde lid, aanhef en onder b, van de Subsidieregeling. Door deze afwijzing was het niet noodzakelijk om een rangschikking te maken van de subsidiabele voorstellen. Er is subsidie verleend aan de enige andere aanvrager van subsidie in categorie C, wiens aanvraag wel aan de gestelde eisen voldeed, te weten Werkgever Sportclubs Den Haag (hierna: WSDH).
3. In een memo van 11 maart 2022, opgesteld door de Dienst Publiekszaken, Afdeling Stadsdelen en Wijken, van de gemeente Den Haag, waarvan Haaglanden Beweegt op 23 maart 2022 kennis heeft genomen, komt tot uitdrukking dat de uitvoering van de Subsidieregeling tot een aantal niet-gewenste resultaten heeft geleid. Onder andere had WSDH de tender bijna verloren aan een onbekende organisatie uit Delft. Daarover zijn op 16 mei 2022 door de gemeenteraad van Den Haag vragen gesteld, die het college op 21 en 22 juni 2022 heeft beantwoord. Hierdoor is het vermoeden bij Haaglanden Beweegt ontstaan dat het college bij het beoordelen van de subsidieaanvragen in strijd heeft gehandeld met het verbod van vooringenomenheid (artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)).
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat er sprake is van (een schijn van) vooringenomenheid bij het afwijzen van de subsidieaanvraag. Zo staat in het memo juist dat "WSDH de tender bijna heeft verloren". Daarbij komt dat het memo is opgesteld na het afwijzen van de subsidieaanvraag en het verstrekken van de subsidie aan WSDH. Verder heeft de rechtbank het betoog gevolgd dat geen van de medewerkers van de Dienst OCW, die bij het overleg aanwezig waren, betrokken is geweest bij het beoordelen van de subsidieaanvragen. De andere door Haaglanden Beweegt aangevoerde omstandigheden, zoals de langdurige subsidierelatie tussen WSDH en het college, leiden volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel.
5. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de aanvraag niet duidelijk blijkt dat alle door Haaglanden Beweegt beoogde activiteiten het hele jaar buiten worden verzorgd op de daarvoor aangewezen pleinen en speelvelden. Daarmee voldoet de aanvraag niet aan het criterium, als bedoeld in artikel 1:4, vierde lid, aanhef en onder b, van de Subsidieregeling. De nadere onderbouwing die Haaglanden Beweegt in bezwaar en beroep heeft gegeven, leidt niet tot een ander oordeel. Voor de subsidieaanvraag geldt op grond van artikel 1:11, eerste lid, van de Subsidieregeling een tendersysteem, waardoor de aanvrager niet na afloop van de indieningsperiode aanvullende informatie over de subsidieaanvraag mag aanleveren. Nu Haaglanden Beweegt niet voldoet aan de eis van artikel 1:4, vierde lid, aanhef en onder b, van de Subsidieregeling, heeft het college de aanvraag terecht niet getoetst aan de beoordelingscriteria van artikel 1:11, tweede lid, van de Subsidieregeling.
6. De rechtbank is verder van oordeel dat artikel 1:4, vierde lid, aanhef en onder b, van de Subsidieregeling niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Over het evenredigheidsbeginsel heeft het college toegelicht dat het van groot belang is dat de activiteiten worden georganiseerd op de aangewezen plekken, omdat juist daar weinig sprake is van sportdeelname. Voor het vergroten van sportdeelname is het van belang dat de activiteiten in de betreffende wijken steeds op straat zichtbaar zijn en daarmee laagdrempelig en aantrekkelijk worden voor de doelgroep. Het criterium in die bepaling is voldoende duidelijk en concreet toepasbaar en dus niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Voor zover het Haaglanden Beweegt niet duidelijk was dat zij in haar plan van aanpak tot uitdrukking moest laten komen dat zij het hele jaar buitenactiviteiten op de door het college aangewezen locaties aanbiedt, had zij daarover voor het indienen van de aanvraag vragen kunnen stellen aan het college. De onduidelijkheid die is ontstaan over het aanbieden van de binnenprogrammering moet daarom voor rekening en risico van Haaglanden Beweegt blijven, aldus de rechtbank.
7. De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat het college terecht niet is toegekomen aan het maken van een rangschikking. Alleen de subsidieaanvraag van WSDH kwam immers op grond van artikel 1:4, eerste en vierde lid, van de Subsidieregeling in aanmerking voor een subsidie. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan die beoordeling van het college te twijfelen. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien om, eventueel met toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, het subsidiedossier van WSDH in de beroepsprocedure in te brengen.
Beoordeling van het hoger beroep
8. Haaglanden Beweegt betoogt dat de rechtbank zonder kennis te hebben genomen van het subsidiedossier van WSDH niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat de subsidieaanvraag van WSDH wel voldoet aan de vereisten van artikel 1:4, vierde lid, aanhef en onder b, van de Subsidieregeling. Door dit dossier niet op te vragen, is het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig tot stand gekomen.
8.1. Uit de rechtspraak van de Afdeling (onder meer uitspraak van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2258, Holland Opera) volgt dat bij een verdelingssystematiek waarbij aanvragen worden beoordeeld en gerangschikt en slechts een beperkt aantal aanvragen kan worden gehonoreerd, het vanuit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming van belang is dat een aanvrager die een aanvraag heeft ingediend waaraan een voor honorering te lage eindscore en rangorde is toegekend, zich niet alleen kan verdedigen tegen de beoordeling van de eigen aanvraag, maar ook tegen de rangorde als zodanig en de totstandkoming daarvan. Dit betekent dat niet alleen het oordeel over de eigen aanvraag moet kunnen worden bestreden, maar ook de beoordeling van concurrerende aanvragen die hoger in de rangorde zijn geëindigd. Beide beoordelingen zijn immers van invloed op de totstandkoming van de rangorde en daarmee op de mogelijkheid de eigen aanvraag alsnog gehonoreerd te zien. 8.2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het college te verzoeken om het subsidiedossier van WSDH in te brengen in de beroepsprocedure. De rechtbank heeft geen reden gezien te twijfelen aan de toelichting van het college dat de subsidieaanvraag van WSDH voldoet aan de vereisten van artikel 1:4, eerste en vierde lid, van de Subsidieregeling.
8.3. Zowel in bezwaar als beroep heeft Haaglanden Beweegt aangevoerd dat de subsidie ten onrechte aan WSDH is verleend en dat de beoordeling van de twee aanvragen niet objectief heeft plaatsgevonden. De rechtbank mocht daarom, zonder inzicht in de beoordeling van het projectplan van WSDH door het college, niet zonder meer uitgaan van de juistheid van de beoordeling daarvan. Weliswaar gaat het in deze zaak, anders dan in de Holland Opera-uitspraak, niet om de totstandkoming van de rangorde als zodanig, maar vanuit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming moet de subsidieaanvrager zich ook kunnen verdedigen tegen ongelijke beoordelingen van concurrerende aanvragen als er geen rangschikking is opgesteld. Het betoog slaagt.
Tussenconclusie
9. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, beoordeelt de Afdeling het besluit van 10 juni 2022 in het licht van de daartegen door Haaglanden Beweegt aangevoerde gronden. In dat kader heeft de Afdeling het college verzocht het subsidiedossier van WSDH alsnog over te leggen.
Beoordeling van het beroep
10. Haaglanden Beweegt betoogt dat het college ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat haar subsidieaanvraag niet voldoet aan de subsidievereisten, als bedoeld in artikel 1:4, vierde lid, aanhef en onder b, van de Subsidieregeling. Uit de subsidieaanvraag blijkt voldoende dat alle activiteiten het hele jaar buiten worden verzorgd op de daarvoor aangewezen pleinen en speelvelden. De binnenprogrammering is aanvullend op de activiteiten op de pleinen en speelvelden en komt niet in de plaats daarvan. Daarbij staat in de subsidieaanvraag dat de mogelijkheden van binnenprogrammering worden onderzocht, niet dat die daadwerkelijk worden uitgevoerd.
10.1. Niet is in geschil dat uit de subsidieaanvraag van Haaglanden Beweegt volgt dat activiteiten worden aangeboden die gericht zijn op het sporten en bewegen van jeugd in de leeftijd 6 tot 18 jaar op een door de gemeente hiervoor aangewezen plein of speelveld in wijken waar de sportdeelname laag is, als bedoeld in de bijlage van de Subsidieregeling. In geschil is of de subsidieaanvraag mocht worden geweigerd, omdat niet alle activiteiten daarop zijn gericht, bijvoorbeeld omdat (een deel van het jaar) ook (aanvullend) binnenprogrammering wordt aangeboden.
10.2. Artikel 1:4, vierde lid, van de Subsidieregeling bepaalt:
"In aanvulling op het eerste lid wordt subsidie gericht op het in artikel 1:3, eerste lid, onder c, genoemde doel (categorie C) uitsluitend verstrekt voor het aanstellen van combinatiefunctionarissen die activiteiten uitvoeren die gericht zijn op:
(…)
b. het sporten en bewegen van jeugd in de leeftijd 6 tot 18 jaar op een door de gemeente hiervoor aangewezen plein of speelveld in wijken waar de sportdeelname laag is zoals bedoeld in de bijlage bij deze subsidieregeling."
10.3. De Afdeling overweegt dat uit de Subsidieregeling duidelijk volgt dat de subsidie uitsluitend wordt verstrekt wanneer activiteiten worden uitgevoerd op de door de gemeente daarvoor aangewezen pleinen of speelvelden. Dit is een duidelijk criterium; alleen subsidieaanvragen die aan deze eis voldoen, komen in aanmerking voor de subsidie. Als een aanvraag niet aan dit criterium voldoet, komt deze alleen al daarom niet voor subsidiëring in aanmerking. De beoordeling of aan dit criterium is voldaan gebeurt aan de hand van wat in de subsidieaanvraag staat.
10.4. In de subsidieaanvraag van Haaglanden Beweegt staat op pagina 9: "In de periode oktober-februari voornamelijk binnenprogrammering in buurthuizen, gymzalen/sporthallen in de wijk voor continuïteit." Verder staat op pagina 2 dat Haaglanden Beweegt de "mogelijkheden onderzoekt voor een binnenprogrammering in gymzalen of buurthuizen voor in de winter en als alternatief voor slecht weer." Het college mocht uit het voorgaande afleiden dat de subsidie niet gedurende de gehele periode wordt gebruikt voor activiteiten die worden ontplooid op de aangewezen pleinen of speelvelden. Daartegenover staat dat uit de subsidieaanvraag van WSDH niet volgt dat ook (enige vorm van) binnenprogrammering wordt aangeboden. Weliswaar staat in die subsidieaanvraag van WSDH dat E-sports is toegevoegd aan het aanbod, maar ook staat daarin dat het doel daarvan is die spellen op de pleinen en speelvelden te simuleren in de vorm van daadwerkelijke sporten. Het college heeft daarom redelijkerwijs tot het oordeel kunnen komen dat de subsidieaanvraag van Haaglanden Beweegt niet voldoet aan het criterium dat is gesteld in artikel 1:4, vierde lid, onder b, van de Subsidieregeling en heeft dus terecht de subsidieaanvraag van Haaglanden Beweegt afgewezen. Het college was daardoor niet gehouden de subsidieaanvraag te toetsen aan de criteria in artikel 1:11 van de Subsidieregeling. Wat Haaglanden Beweegt verder heeft aangevoerd, is geen reden om anders te oordelen. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond.
12. Het college moet de proceskosten in hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van Haaglanden Beweegt B.V. gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 november 2023 in zaak nr. 22/4166;
III. verklaart het beroep van Haaglanden Beweegt B.V. ongegrond;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij Haaglanden Beweegt B.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan Haaglanden Beweegt B.V. het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 559,00.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
284-1062