202403590/1/R4.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Maartensdijk, gemeente De Bilt,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 april 2024 in zaak nr. 23/6316 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van De Bilt.
Procesverloop
Bij besluit van 17 maart 2023 heeft het college geweigerd aan [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het aanbouwen van een bijbehorend bouwwerk met twee bouwlagen aan de zijgevel van een woning op het perceel [locatie] te Maartensdijk.
Bij brief van 25 april 2023 heeft [appellante] het college in gebreke gesteld en heeft zij verzocht om bekendmaking van de volgens haar van rechtswege verleende omgevingsvergunning.
Bij besluit van 16 mei 2023 heeft het college het verzoek afgewezen.
Bij besluit van 1 november 2023 heeft het college het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 17 maart 2023 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 april 2024 heeft de rechtbank de door [appellante] tegen de besluiten van 1 november 2023 en 16 mei 2023 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. S.E. Silbermann, advocaat in Amsterdam, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. B.L. Dekker en mr. W.R. Beukhof, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 18 juli 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellante] is eigenaar van de woning op het perceel [locatie] te Maartensdijk (hierna: het perceel). In maart 2022 is zij begonnen met bouwwerkzaamheden aan de woning, bestaande uit het aanbouwen van een bijbehorend bouwwerk met twee bouwlagen aan de zijgevel van de woning. Een toezichthouder van de gemeente De Bilt heeft in maart 2022 geconstateerd dat de bouwwerkzaamheden niet vergunningvrij zijn. Daarop heeft [appellante] de aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend waarover het in deze zaak gaat. Het college heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat de aanbouw in strijd is met het op het perceel geldende bestemmingsplan "Maartensdijk 2009". Verder heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de aanbouw niet voldoet aan zijn "Beleidsregels artikel 2.12, eerste lid, onder a onder 2 Wabo jo. artikel 4 van bijlage II Bor, 5de wijziging, Gemeente De Bilt 2014", waarin beleidsregels zijn opgenomen op grond waarvan het college kan afwijken van het bestemmingsplan. Volgens het college is het besluit van 17 maart 2023 tijdig en op de juiste wijze bekendgemaakt aan [appellante], zodat geen omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college tijdig op de aanvraag voor de omgevingsvergunning heeft beslist en dat er geen omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan. Zij heeft overwogen dat het college uiterlijk op 20 maart 2023 op de aanvraag van [appellante] had moeten beslissen. [appellante] heeft bij het indienen van de aanvraag B. Buis van Bouwkundig Adviesburo Buis als gemachtigde vermeld op het aanvraagformulier en het e-mailadres van deze gemachtigde op het aanvraagformulier opgegeven. Het college heeft de weigering op 17 maart 2023 per e-mail tegelijk aan [appellante] persoonlijk en aan haar gemachtigde, B. Buis, per e-mail verzonden. Dat het e-mailadres van [appellante] op het aanvraagformulier een typefout bevat, die door het college is overgenomen bij de verzending van het besluit van 17 maart 2023, en [appellante] dat besluit niet heeft ontvangen via de e-mail, betekent niet dat het college het besluit van 17 maart 2023 niet tijdig en op een juiste wijze bekend heeft gemaakt. Het door het college gebruikte e-mailadres van de gemachtigde van [appellante] is wel juist. De gemachtigde heeft de e-mail met daarin als bijlage het besluit op 17 maart 2023 ook ontvangen. Het college heeft daarom ook geen dwangsom verbeurd.
Verder heeft de rechtbank overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het college in dit geval had moeten afwijken van zijn beleidsregels. Dat de aanbouw grotendeels is gebouwd, dat het afbreken daarvan grote financiële gevolgen zal hebben en dat de directe buren geen bezwaar hebben tegen de aanbouw, neemt niet weg dat [appellante], voordat zij begon met de verbouwing, beter had moeten uitzoeken of hiervoor een omgevingsvergunning nodig was, aldus de rechtbank.
Vergunning van rechtswege
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan. Zij voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het besluit niet tijdig en niet op de juiste wijze aan haar bekend heeft gemaakt.
4.1. Wat [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd over de wijze van bekendmaking van het besluit door het college is een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling ziet in wat [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4 tot en met 8 opgenomen overwegingen van haar uitspraak, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Gevolgde procedure
5. [appellante] betoogt dat het college ten onrechte de reguliere procedure heeft gevolgd en niet de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure.
5.1. Op grond van artikel 3.7, eerste lid, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo, is op een aanvraag om een omgevingsvergunning de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing, tenzij de uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt. De beantwoording van de vraag welke voorbereidingsprocedure van toepassing is, is afhankelijk van de activiteit die is aangevraagd. Dat is geregeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo. De Wabo schrijft dwingend voor welke procedure op een aanvraag om omgevingsvergunning van toepassing is. Het college heeft hierin dus geen keuze, maar moet de voorbereidingsprocedure toepassen die de Wabo voorschrijft.
Het bouwplan gaat over het aanbouwen van twee bouwlagen aan de zijgevel van de woning op het perceel. Aangezien het bouwplan een uitbreiding is van het hoofdgebouw is het bouwplan het oprichten van een bijbehorend bouwwerk in de zin van artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Omdat de woning binnen de bebouwde kom ligt en de aanvraag gaat over een bijbehorend bouwwerk kan het college op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht afwijken van het bestemmingsplan en de gevraagde omgevingsvergunning verlenen. Daarom is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Dat het college op basis van zijn beleidsregels de omgevingsvergunning heeft geweigerd maakt niet dat de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is. Op de weigering is dezelfde procedure van toepassing als op een verlening.
Het betoog slaagt niet.
Bijzondere omstandigheden
6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college van zijn beleidsregels had moeten afwijken. Zij voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat als zij wat al gebouwd is moet afbreken dat grote financiële gevolgen zal hebben en dat dat ook gevolgen heeft voor de directe buren, omdat de aanbouw direct aan die van de buren grenst.
6.1. Wat [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd over de door haar genoemde bijzondere omstandigheden is een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling ziet in wat [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 9 tot en met 15 opgenomen overwegingen van haar uitspraak, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Overig
7. Ook in wat Van der Berg verder nog heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning had moeten verlenen.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loo
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
418-1165