202503451/1/A2.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 mei 2025 in zaak nr. 24/6944 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond (hierna: de SUWR).
Procesverloop
Bij besluit van 6 maart 2024 heeft de SUWR een aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 10 juli 2024 heeft de SUWR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 14 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De SUWR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De SUWR heeft desgevraagd een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. G.A.S. Maduro, advocaat in Rotterdam, is verschenen. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
De SUWR heeft desgevraagd nadere stukken ingediend.
[appellante] heeft hierop gereageerd.
Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere zitting. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
2. [appellante] is sinds 2 november 2022 huurder van de woning aan het [locatie] in Rotterdam. Zij heeft verzocht om verlening van een urgentieverklaring wegens de hoge woonlasten van de woning.
Besluitvorming
3. Aan de afwijzing van de aanvraag heeft de SUWR ten grondslag gelegd dat [appellante] bij het sluiten van de huurovereenkomst wist dat zij de huurprijs niet zou kunnen betalen. Daarmee is het huisvestingsprobleem volgens de SUWR ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van [appellante] en doet zich de algemene weigeringsgrond, als vermeld in artikel 2.3, tweede lid, aanhef en onder f, van Bijlage I van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 (hierna: de Verordening), voor. Op grond van die bepaling kan de SUWR een urgentieverklaring weigeren, indien het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van de aanvrager of een lid van het huishouden, voor zover dit verwijtbare doen of nalaten niet langer dan twee jaar voor het indienen van de aanvraag plaatsvond. De SUWR heeft geen aanleiding gezien voor toepassing van de hardheidsclausule.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft overwogen dat de SUWR de aanvraag terecht heeft afgewezen op grond van artikel 2.3, tweede lid, aanhef en onder f, van Bijlage I van de Verordening. Overigens heeft de Huurcommissie in haar uitspraak van 15 februari 2024 de huurprijs van de woning verlaagd van € 1.000,00 naar € 416,01 per maand. Hiermee voldoet [appellante] niet langer aan de vereisten om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring wegens woonlasten. Verder heeft de SUWR terecht geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen. Dat het voor [appellante] vanwege de krapte op de woningmarkt zeer moeilijk is om geschikte woonruimte te vinden, is iets wat, gelet op de wachtlijst voor de woningen in de regio Rotterdam, voor alle woningzoekenden geldt. Ook de verstoorde relatie met de verhuurder brengt niet met zich dat de SUWR de hardheidsclausule had moeten toepassen, aldus de rechtbank.
Beoordeling in hoger beroep
Bevoegdheid van de SUWR
5. De bevoegdheid om te beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring is op grond van artikel 13, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 toegekend aan burgemeester en wethouders. Zij kunnen op grond van die bepaling aan een ander orgaan mandaat verlenen om namens hen dat besluit te nemen. In artikel 2.1 van de Bijlage I van de Verordening is echter aan de SUWR de bevoegdheid verleend om onder eigen verantwoordelijkheid te beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring. Een wettelijke grondslag voor deze delegatie van de bevoegdheid om te beslissen over urgentie ontbreekt. Artikel 2.1 van Bijlage I van de Verordening is daarom onverbindend wegens strijd met artikel 10:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De SUWR was dus niet bevoegd om het besluit van 6 maart 2024 te nemen. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
6. Bij brief van 3 oktober 2025 heeft de SUWR een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) van 30 september 2025 overgelegd. Bij dat besluit heeft het college de afwijzing van de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring bekrachtigd.
7. Omdat uit het besluit van 30 september 2025 blijkt dat het college met de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring instemt, is het niet aannemelijk dat het college, als het nu opnieuw een besluit zou nemen, een besluit met een andere inhoud zou nemen. Het is daarom ook niet aannemelijk dat [appellante] door het bevoegdheidsgebrek is benadeeld. Gelet daarop ziet de Afdeling aanleiding om het bevoegdheidsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep
8. [appellante] betoogt dat zij destijds genoodzaakt was om de woning met deze huurprijs te accepteren. Zij en haar kinderen hadden op dat moment namelijk geen vaste verblijfplaats. Verder volgt uit artikel 2.3, tweede lid, aanhef en onder f, van Bijlage I van de Verordening dat een verwijtbaar handelen, als gevolg waarvan een huisvestingsprobleem is ontstaan, slechts twee jaar kan worden tegengeworpen. Inmiddels zijn na het ingaan van de huurovereenkomst op 2 november 2022 al twee jaar verstreken.
8.1. Uit de tekst van artikel 2.3, tweede lid, aanhef en onder f, van Bijlage I van de Verordening blijkt dat de datum van de aanvraag om een urgentieverklaring als peildatum geldt voor de in die bepaling bedoelde periode van twee jaar.
8.2. [appellante] heeft op 1 februari 2024 een aanvraag om een urgentieverklaring ingediend. Tussen het ingaan van de huurovereenkomst op 2 november 2022 en de aanvraag op 1 februari 2024 zijn geen twee jaar verstreken. Dat betekent dat de algemene weigeringsgrond van artikel 2.3, tweede lid, aanhef en onder f, van Bijlage I van de Verordening van toepassing is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de SUWR deze algemene weigeringsgrond aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag heeft mogen leggen. Wat [appellante] hierover in hoger beroep heeft aangevoerd is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De Afdeling kan zich vinden in het, hiervoor onder 4 weergegeven, oordeel van de rechtbank en sluit zich daarbij aan. Op de zitting is besproken dat de termijn van twee jaar inmiddels is verstreken maar ook dat de Huurcommissie, in een door de kantonrechter in stand gehouden, uitspraak van 15 februari 2024, de huur heeft verlaagd naar € 416,01. Ten tijde van de zitting kon de gemachtigde van [appellante] niet met zekerheid zeggen of dit oordeel inmiddels in rechte vaststaat.
9. [appellante] betoogt in hoger beroep verder dat de SUWR in haar geval de hardheidsclausule had moeten toepassen, omdat de woning in slechte staat van onderhoud verkeert en er schimmelvorming is. Dit is niet bevorderlijk voor haar gezondheid en die van haar kinderen. In dit kader wijst [appellante] op de e-mail van haar ambulant begeleidster van 23 mei 2025.
9.1. Voor het aanpakken van de schimmelvorming en het achterstallig onderhoud in de woning kan [appellante] zich tot de verhuurder, dan wel de Huurcommissie, wenden. [appellante] heeft aan haar verzoek om een urgentieverklaring niet de onbewoonbaarheid van de woning ten grondslag gelegd. Zij voert voor het eerst in hoger beroep aan dat de woning in slechte staat verkeert. Dat sprake is van zodanige schimmelvorming dat dit tot gezondheidsproblemen leidt, zoals de ambulant begeleidster schrijft, blijkt niet uit de uitspraak van de Huurcommissie van 15 februari 2024, die op basis van een onderzoek heeft geconstateerd dat er wel gebreken waren bij aanvang van de huurovereenkomst, maar dat de schimmel in de slaapkamer aan de achtergevelzijde niet ernstig genoeg is voor een tijdelijke huurverlaging. Dat sprake is van een zodanige schrijnende situatie dat de hardheidsclausule had moeten worden toegepast, heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt.
10. De betogen slagen niet.
Conclusie
11. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze berust.
12. De SUWR moet de proceskosten voor het beroep en het hoger beroep vergoeden. De reden daarvoor is dat de rechtbank het onder 5 beschreven bevoegdheidsgebrek niet heeft onderkend en de Afdeling dat gebrek alsnog met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeert.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond tot vergoeding van de bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.174,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep en beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 476,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
452-1160
BIJLAGE
Wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 10:15
Delegatie geschiedt slechts indien in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien.
Huisvestingswet 2014
Artikel 13
1 Burgemeester en wethouders beslissen over de indeling van woningzoekenden in de urgentiecategorieën, bedoeld in artikel 12, tweede lid. Burgemeester en wethouders kunnen van deze bevoegdheid mandaat verlenen.
[…]
Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020
Bijlage 1 Urgentie- en herhuisvestingssysteem
Paragraaf 2. Procedure urgentieverklaringen
Artikel 2.1. Bevoegdheid tot verlening van een urgentieverklaring
1 Op een aanvraag om een urgentieverklaring beslist het college van burgemeester en wethouders bij wie de aanvraag ingevolge artikel 2.2, tweede lid, van deze Bijlage ingediend moet worden.
2 Indien ingevolge het eerste lid het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten Maassluis, Vlaardingen, Rotterdam of Schiedam bevoegd is te beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring, is tevens het bestuur van de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond bevoegd om op de aanvraag te beslissen.
[…]
Artikel 2.3. Weigeringsgronden urgentieverklaring
[…]
2 Het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op een aanvraag om urgentieverklaring, kan de urgentieverklaring weigeren indien sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
[…]
f. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van naar het oordeel van het bestuursorgaan verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van het huishouden voor zover dit verwijtbare doen of nalaten niet langer dan twee jaar voor het indienen van aanvraag plaatsvond;
[…]