ECLI:NL:RVS:2025:6136

Raad van State

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
202400036/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake subsidieaanvraag Haaglanden Beweegt afgewezen door college van burgemeester en wethouders Den Haag

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van Haaglanden Beweegt B.V. tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, die op 14 november 2023 het beroep van Haaglanden Beweegt tegen de afwijzing van hun subsidieaanvraag door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag ongegrond verklaarde. De subsidieaanvraag was ingediend in het kader van de Subsidieregeling combinatiefunctionarissen sport Den Haag 2021, met als doel het bevorderen van de aanstelling en begeleiding van combinatiefunctionarissen die sportverenigingen en -stichtingen ondersteunen. Het college had de aanvraag afgewezen omdat de aanvragen van Haaglanden Beweegt en een andere partij, Werkgever Sportclubs Den Haag (WSDH), gelijk waren beoordeeld, maar de subsidieplafond was bereikt. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van vooringenomenheid bij de beoordeling van de aanvragen en dat Haaglanden Beweegt onvoldoende had aangetoond dat zij voldeed aan de criteria voor subsidie. Haaglanden Beweegt ging in hoger beroep, waarbij zij aanvoerde dat de rechtbank onzorgvuldig had geoordeeld door het subsidiedossier van WSDH niet op te vragen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat Haaglanden Beweegt ten onrechte niet hoger in de rangschikking was gekomen dan WSDH, en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling herroept het besluit van het college en bepaalt dat Haaglanden Beweegt de subsidie had moeten ontvangen, maar dat dit niet met terugwerkende kracht kan worden veranderd, aangezien WSDH de gesubsidieerde activiteiten in 2022 heeft verricht. Het college moet de proceskosten vergoeden.

Uitspraak

202400036/1/A2.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Haaglanden Beweegt B.V., gevestigd in Delft,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 november 2023 in zaak nr. 22/3822 in het geding tussen:
Haaglanden Beweegt
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 19 november 2021 heeft het college de subsidieaanvraag van Haaglanden Beweegt in het kader van de Subsidieregeling combinatiefunctionarissen sport Den Haag 2021 (hierna: de Subsidieregeling), categorie B, afgewezen.
Bij besluit van 12 mei 2022 heeft het college het door Haaglanden Beweegt daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 november 2023 heeft de rechtbank het door Haaglanden Beweegt daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Haaglanden Beweegt hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Haaglanden Beweegt en het college hebben ieder een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 april 2025, waar  Haaglanden Beweegt, vertegenwoordigd door mr. J.E. Hamann, advocaat in Den Haag, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A. Huijgen, advocaat in Den Haag, en mr. R. Kurvink en S.R. Buikema, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Haaglanden Beweegt is een organisatie die zich inzet voor een gezonde en actieve leefomgeving in verschillende gemeenten binnen de regio Haaglanden. Zij heeft in het kader van de Subsidieregeling een aanvraag ingediend voor subsidie Categorie B (hierna: de subsidie). Het doel van de subsidie is het bevorderen dat organisaties combinatiefunctionarissen aanstellen en begeleiden die sportverenigingen en -stichtingen versterken die in staat zijn sportaanbod te bieden dat aansluit op de sportbehoefte van inwoners van Den Haag. Het subsidieplafond daarvoor bedraagt € 1.440.000,00. Als het bedrag van het subsidieplafond zou worden overschreden als alle subsidiabele aanvragen zouden worden gehonoreerd, dan wordt de subsidie verdeeld volgens een zogenoemde tenderprocedure.
2.       Naast Haaglanden Beweegt heeft ook een andere partij, te weten Werkgever Sportclubs Den Haag (hierna: WSDH), een aanvraag ingediend voor de subsidie. Beide subsidieaanvragen komen in aanmerking voor de subsidie. Omdat honorering van beide aanvragen zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond, zijn de aanvragen beoordeeld aan de hand van beoordelingscriteria. Een van de criteria is of ondersteuning wordt geboden op zowel thema, per sporttak, als 1-op-1, zoals bedoeld in artikel 1:10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Subsidieregeling. Hiervoor heeft Haaglanden Beweegt geen punten gekregen. Volgens het college wordt nauwelijks inhoud gegeven aan de ondersteuning per sporttak en is 10% van de manier van ondersteunen te summier.
3.       De beoordeling van de subsidieaanvragen heeft geleid tot een gelijk aantal punten. Daarom is overgegaan tot loting door een notaris, met toepassing van artikel 1:10, vierde lid, van de Subsidieregeling. Haaglanden Beweegt is hierbij als tweede geëindigd. Daarom is aan WSDH de subsidie verleend. Omdat daarmee het subsidieplafond was bereikt, is de aanvraag van Haaglanden Beweegt afgewezen.
4.       In een memo van 11 maart 2022, opgesteld door de Dienst Publiekszaken, Afdeling Stadsdelen en Wijken, van de gemeente Den Haag, waarvan Haaglanden Beweegt op 23 maart 2022 kennis heeft genomen, komt tot uitdrukking dat volgens de betrokkenen bij het memo de uitvoering van de Subsidieregeling tot een aantal niet-gewenste resultaten heeft geleid. Zo staat daar onder andere in dat WSDH de tender bijna had verloren aan een onbekende organisatie uit Delft. Daarover zijn op 16 mei 2022 door de gemeenteraad van Den Haag vragen gesteld, die het college op 21 en 22 juni 2022 heeft beantwoord. Bij Haaglanden Beweegt is daardoor het vermoeden ontstaan dat het college bij het beoordelen van de subsidieaanvragen in strijd heeft gehandeld met het verbod van vooringenomenheid (artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)).
Uitspraak van de rechtbank
5.       De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat er sprake is van (schijn van) vooringenomenheid bij het afwijzen van de subsidieaanvraag. Zo staat in het memo juist dat "WSDH de tender bijna heeft verloren". Daarbij komt dat het memo is opgesteld na het afwijzen van de subsidieaanvraag en het verstrekken van de subsidie aan WSDH. Verder heeft de rechtbank het betoog gevolgd dat geen van de medewerkers van de Dienst OCW die bij het overleg aanwezig waren, betrokken is geweest bij het beoordelen van de subsidieaanvragen. De andere door Haaglanden Beweegt aangevoerde omstandigheden, zoals de langdurige subsidierelatie tussen WSDH en het college, leiden volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel.
6.       De rechtbank heeft verder overwogen dat Haaglanden Beweegt onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat ook ondersteuning per sporttak wordt aangeboden, wat een van de criteria is van artikel 1:10, tweede lid, van de Subsidieregeling. Uit de aanvraag blijkt niet wat de sporttakondersteuning inhoudt. Daarbij komt dat sporttakondersteuning een ondergeschikte rol speelt ten opzichte van de thema’s ondersteuning en 1-op-1 ondersteuning. Het college heeft dus terecht nul punten toegekend voor dat onderdeel. Ook is geen reden om aan te nemen dat ten onrechte wel drie punten aan WSDH zijn toegekend, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft geen reden gezien om het college te verzoeken om, eventueel met toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, het subsidiedossier van WSDH in te brengen in de beroepsprocedure.
Beoordeling van het hoger beroep
7.       Haaglanden Beweegt betoogt dat de rechtbank zonder kennis te hebben genomen van het subsidiedossier van WSDH niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat de aanvraag van WSDH voldoet aan het criterium in artikel 1:10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Subsidieregeling. Door dit dossier niet op te vragen, is het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig tot stand gekomen.
7.1.    Uit de rechtspraak van de Afdeling (onder meer uitspraak van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2258, Holland Opera) volgt dat bij een verdelingssystematiek waarbij aanvragen worden beoordeeld en gerangschikt en slechts een beperkt aantal aanvragen kan worden gehonoreerd, het vanuit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming van belang is dat een aanvrager die een aanvraag heeft ingediend waaraan een voor honorering te lage eindscore en rangorde is toegekend, zich niet alleen kan verdedigen tegen de beoordeling van de eigen aanvraag, maar ook tegen de rangorde als zodanig en de totstandkoming daarvan. Dit betekent dat niet alleen het oordeel over de eigen aanvraag moet kunnen worden bestreden, maar ook de beoordeling van concurrerende aanvragen die hoger in de rangorde zijn geëindigd. Beide beoordelingen zijn immers van invloed op de totstandkoming van de rangorde en daarmee op de mogelijkheid de eigen aanvraag alsnog gehonoreerd te zien.
7.2.    De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het college te verzoeken om het subsidiedossier van WSDH in te brengen in de beroepsprocedure. Zij heeft zich voor haar oordeel dat uit de aanvraag van WSDH blijkt dat deze wel alle drie de ondersteuningsvormen aanbiedt, gebaseerd op het besluit van 19 november 2021, waarbij aan WSDH subsidie is verleend. Dat WSDH deze ondersteuning wel aanbiedt, volgt voldoende uit de motivering bij het toekennen van de punten per criterium.
7.3.    Zowel in bezwaar als in beroep heeft Haaglanden Beweegt aangevoerd dat de subsidie ten onrechte aan WSDH is verleend. De rechtbank mocht daarom, zonder inzicht in de beoordeling van het projectplan van WSDH door het college, niet zonder meer uitgaan van de juistheid van de beoordeling in het besluit van 19 november 2021 dat WSDH alle drie de ondersteuningsvormen daadwerkelijk aanbiedt. Het oordeel van de rechtbank steunt enkel op de (summiere) motivering van het college dat WSDH sporttakondersteuning aanbiedt. De rechtbank had aanleiding moeten zien om het subsidiedossier van WSDH op te vragen. Als uit dat dossier zou blijken dat WSDH geen sporttakondersteuning aanbiedt, zou dat ertoe leiden dat Haaglanden Beweegt hoger wordt gerangschikt dan WSDH. In dat geval was een loting niet nodig geweest. De subsidie zou dan zijn toegekend aan Haaglanden Beweegt. Het betoog slaagt.
Tussenconclusie
8.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, beoordeelt de Afdeling het besluit van 12 mei 2022 in het licht van de daartegen door Haaglanden Beweegt aangevoerde gronden. Hiertoe heeft de Afdeling het college verzocht het subsidiedossier van WSDH alsnog over te leggen.
Beoordeling van het beroep
9.       Haaglanden Beweegt betoogt dat het college bij de toetsing van de subsidieaanvraag aan het criterium, bedoeld in artikel 1:10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Subsidieregeling, in strijd heeft gehandeld met het motiveringsbeginsel, het legaliteitsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van fair play. Zij biedt namelijk wel ondersteuning aan per sporttak. Verder staat in de Subsidieregeling niets over de verdeling van inzet over de drie ondersteuningsvormen. Het college heeft, door te stellen dat 10% ondersteuning te summier is, achteraf de subsidiecriteria verzwaard. Verder heeft het college de subsidieaanvraag van WSDH terughoudend en coulant getoetst, terwijl de subsidieaanvraag van Haaglanden Beweegt indringend en streng is getoetst.
9.1.    Artikel 1:10, tweede lid en onder e, van de Subsidieregeling geeft als criterium voor de beoordeling van de aanvraag dat ondersteuning wordt geboden op thema, per sporttak en 1-op-1 (hierna ook: criterium 1:10-e). Voor dit criterium kunnen drie punten worden toegekend. Wordt niet op alle drie gebieden ondersteuning aangeboden, dan worden nul punten toegekend. Verder volgt uit de Subsidieregeling dat bij een gelijke rangschikking van aanvragen de onderlinge rangschikking van die aanvragen wordt vastgesteld door middel van loting.
9.2.    Vaststaat dat het college bij de beoordeling van de aanvraag van WSDH drie punten heeft toegekend voor criterium 1:10-e. Volgens het college biedt WSDH op alle drie onderdelen ondersteuning aan. In het besluit van 19 november 2021 staat: "WSDH biedt ondersteuning op zowel thema, per sporttak, als 1-op-1. Pagina 7: WSDH heeft op elk gevraagd thema een expertteam, onder leiding van een aanvoerder. Pagina 6 en 7: WSDH biedt 1-op-1 ondersteuning aan verenigingen. Dit blijkt met name uit de paragraaf over ‘structurele ondersteuning’. Pagina 7: WSDH biedt ondersteuning per sporttak. Ze hebben interne teams per sporttak."
9.3.    In het projectplan categorie B van WSDH (hierna: het projectplan WSDH), waarnaar het college verwijst, staat op pagina 7: "[…] Tegenwoordig is stedelijke inzet de standaard. Dit wil zeggen dat een sportcoördinator op meerdere verenigingen binnen dezelfde sporttak wordt ingezet. Op deze wijze kunnen we per aanstelling meerdere verenigingen ondersteunen. Het doel is daarbij niet alleen de vereniging te versterken, maar ook de betreffende sport binnen Den Haag én de samenwerking tussen deze verenigingen onderling te bevorderen. Hiervoor hebben wij intern teams per sporttak gevormd, die met elkaar de basis voor de samenwerking tussen de verschillende verenigingen vormen. Dat betreft ook de minder traditionele verenigingen, zoals dans, boksen en surfen."
9.4.    Bij de toetsing van de aanvraag van Haaglanden Beweegt aan criterium 10-e staat dat volgens het college onvoldoende uit het projectplan blijkt dat er daadwerkelijk focus ligt op sporttakondersteuning. Sporttakondersteuning komt enkel bij losse interventies terug. Daarbij komt dat in het plan staat dat maar 10% van de manier van ondersteunen is gericht op sporttak-niveau, wat volgens het college summier is.
9.5.    In het projectplan categorie B van Haaglanden Beweegt staat op pagina 5: "[Programmacoördinatoren] faciliteren themagerichte kennisdeling en coördineren specifieke programma’s en interventies op stadsdeel overstijgend of sporttakniveau." De kenmerken van de programmacoördinator zijn volgens het projectplan onder meer het leveren van thema specifieke, beleidsmatige- en organisatorische ondersteuning door het faciliteren van onderlinge samenwerking (op gemeente- en sporttakniveau) en door het coördineren van programma’s en interventies op gemeente- en sporttakniveau.
9.6.    Op pagina 6 van het projectplan staat verder dat "de programmacoördinator promotiecampagnes coördineert op sporttakniveau en overstijgend niveau, zoals een actie ‘doe mee met de tennis zomerchallenge’ of vrijwilligerswervingscampagne onder jongeren."
9.7.    Verder wordt in het projectplan onder 4.1 gewezen op collectieve interventies, met als inzet thema- en sporttakniveau. Daar staat onder werven en opleiden van technische kaderfuncties: "Begeleiding bij opstellen van (kader)functieprofielen door 2 keer per jaar op 2 momenten faciliteren van workshops en uitwisseling tussen sportclubs (met werktafels op sporttakniveau). Coördineren van wervingsacties voor (kader)functies op gemeente breed en sporttakniveau, 2 keer per jaar aansluitend op workshops. 1 keer per jaar in kaart brengen/updaten van opleidingsmogelijkheden sporttak specifiek en overstijgend."
9.8.    De Afdeling is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat in de subsidieaanvraag met concrete plannen, zoals het aanstellen van een programmacoördinator voor het bieden van ondersteuning op sporttakniveau, en voorbeelden, zoals de ‘tennis zomerchallenge’ en het coördineren van wervingsacties voor (kader)functies, aandacht wordt besteed aan ondersteuning op sporttakniveau. De motivering dat ondersteuning enkel bij losse interventies in het projectplan van Haaglanden Beweegt terugkomt, volgt de Afdeling niet. Temeer omdat het college het instellen van een sportcoördinator en interne teams per sporttak wel voldoende heeft geacht, zoals blijkt uit de beoordeling van het projectplan van WSDH. Dat volgens het college uit het projectplan van Haaglanden Beweegt niet volgt dat voldoende focus is gelegd op sporttakondersteuning, omdat maar 10% van de manier van ondersteunen daarop is gericht, doet aan het voorgaande niet af. Uit de Subsidieregeling volgt niet dat de focus gelijk over de criteria moet zijn verdeeld. Overigens wordt uit het projectplan WSDH niet duidelijk hoe de ondersteuning is verdeeld over de verschillende criteria. Het college heeft dus ten onrechte het standpunt ingenomen dat Haaglanden Beweegt, anders dan WSDH, niet voldoet aan criterium 1:10-e. Dit betekent dat aan de subsidieaanvraag van Haaglanden Beweegt een hogere rangschikking toegekend had moeten worden. Het betoog slaagt.
Conclusie
10.     Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 12 mei 2022 vanwege strijd met artikel 1:10, derde lid, van de Subsidieregeling. Zij zal zelf in de zaak voorzien en het besluit van 19 november 2021 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
11.     Met deze uitspraak staat vast dat bij een juiste beoordeling van de aanvraag van Haaglanden Beweegt deze hoger in de rangschikking zou zijn uitgekomen dan die van WSDH en dat het college dus de subsidie aan  Haaglanden Beweegt had moeten toekennen. Vaststaat evenwel ook dat WSDH in 2022, het jaar waarop de subsidie betrekking heeft, de gesubsidieerde activiteiten heeft verricht en Haaglanden Beweegt niet en dat dit niet met terugwerkende kracht kan worden veranderd. Het college hoeft daarom niet alsnog een nieuw besluit op de subsidieaanvraag van Haaglanden Beweegt te nemen.
12.     Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep van Haaglanden Beweegt B.V. gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 november 2023 in zaak nr. 22/3822;
III.      verklaart het beroep van Haaglanden Beweegt B.V. gegrond;
IV.     vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 12 mei 2022, kenmerk B.3.21.4576.001;
V.      herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 19 november 2021, kenmerk 20211019-11361;
VI.     bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VII.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij Haaglanden Beweegt B.V. in verband met de behandeling van het bezwaar en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.104,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan Haaglanden Beweegt B.V. het door haar voor de behandeling van hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 559,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
284-1062