202301695/1/R3.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellante B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant]), wonend in Drogteropslagen, gemeente De Wolden,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 februari 2023 in zaak nr. 22/1762 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van De Wolden.
Procesverloop
Bij besluit van 24 maart 2022 heeft het college aan maatschap [maatschap] (hierna: [maatschap]) een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van een vleeskalverenhouderij en het bouwen van een vleeskalverenstal.
Bij uitspraak van 3 februari 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 maart 2022 vernietigd, de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten en bepaald dat de uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit treedt.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 oktober 2025, waar [appellant A], bijgestaan door mr. F. Krol-Postma, advocaat in Heerenveen, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Hulleman, M.L. Ruessink, W.M.H. van Heuveln, J.H. de Vries en J. Grit-Henriët, zijn verschenen. Voorts is ter zitting maatschap [maatschap], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 17 december 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft
Inleiding
2. [maatschap] exploiteert een vleeskalverenhouderij aan de [locatie 1] in Drogteropslagen. Op 17 december 2020 heeft zij een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor een nieuwe stal en het uitbreiden van het aantal vleeskalveren tot 1.458 dieren. Het college heeft de omgevingsvergunning bij besluit van 24 maart 2022 verleend. De omgevingsvergunning heeft betrekking op het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo), het gebruiken van bouwwerken en gronden in strijd met de beheersverordening (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo) en het oprichten en in werking hebben van een inrichting (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo).
3. [appellant] woont en heeft zijn bedrijf naast het perceel waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, op het perceel [locatie 2] en [locatie 3]. Hij vreest onder meer voor bodemverontreiniging en geluidsoverlast als gevolg van de activiteiten die de inrichting verricht.
Rechtbankuitspraak
4. De rechtbank heeft het besluit over de verlening van de omgevingsvergunning vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel, omdat het college onvoldoende had gemotiveerd dat de overschrijding van 1 dB(A) op de woning van [appellant] toelaatbaar is. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek Maatschap [maatschap]; aan de [locatie 1] te Drogteropslagen" (hierna: geluidrapport) van 10 maart 2022, opgesteld door Cauberg Huygen, over geluid, volgt dat die overschrijding met een verbetering van de geluiddempers zou kunnen worden verholpen. Het college had onvoldoende gemotiveerd waarom het daarvoor geen maatregelen had voorgeschreven. In de overige beroepsgronden die [appellant] bij de rechtbank heeft aangevoerd, is de rechtbank hem niet gevolgd. Om die reden heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Hogerberoepsgronden
Ingetrokken hogerberoepsgronden
5. [appellant] heeft op de zitting de beroepsgronden dat ten onrechte geen meetverplichting over geluid in de vergunningvoorschriften zou zijn opgenomen en dat het geluidrapport ten onrechte geen afzonderlijke informatie van de geluidsbronnen in de incidentele bedrijfssituatie bevat, ingetrokken.
Geluid
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet alle gebreken in de onderbouwing van de verleende omgevingsvergunning op het punt geluid heeft onderkend. Daartoe voert hij aan dat het geluidrapport op twee essentiële punten ondeugdelijk is. Hij verwijst daarvoor naar een rapport van het Noordelijk Akoestisch Adviesburo BV van 17 oktober 2022, dat [appellant] ook in de beroepsprocedure al heeft overgelegd. Volgens [appellant] is allereerst onduidelijk waarom het geluidvermogen van de geluidsbronnen in de bestaande stal is bepaald aan de hand van leveranciergegevens en niet is gemeten in de huidige situatie. Daarnaast is gebouw 33, dat tussen de stallen van [maatschap] en de woningen [locatie 2] en 64B staat, in het rekenmodel volgens [appellant] gemodelleerd met een hoogte van 4,50 m, terwijl het gebouw in werkelijkheid 3,80 m hoog is. Dit betekent dat er in de berekening is uitgegaan van een grotere afschermende werking van
gebouw 33 dan in het werkelijkheid het geval is.
6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat voor de ventilatoren in de bestaande stal onder meer is uitgegaan van leveranciergegevens, omdat nog wijzigingen moeten plaatsvinden aan de ventilatoren in die stal. Volgens het college geeft [appellant] geen onderbouwing waarom daar niet van mocht worden uitgegaan.
Over de hoogte van gebouw 33 brengt het college naar voren dat [appellant] terecht opmerkt dat gebouw 33 in werkelijkheid lager is dan 4,50 m, maar dat niet maakt dat sprake is van een onaanvaardbaar binnenniveau in de woning van [appellant]. Uit een nadere reactie van het college blijkt dat indien wordt uitgegaan van de werkelijke hoogte van gebouw 33 van 3,80 m de geluidnorm van 35 dB(A) in de nachtperiode op de achtergevel met (afgerond) 1 dB(A) wordt overschreden. Volgens het college is desondanks sprake van een aanvaardbaar binnenniveau. Daarvoor brengt het college naar voren dat het mag uitgaan van een gevelwering van een normaal onderhouden woning van 20 dB(A), waardoor de maximale grenswaarde voor het binnenniveau niet wordt overschreden.
6.2. Over het betoog van [appellant] dat ten onrechte niet zou zijn gemeten om het geluidvermogen van de geluidsbronnen in de bestaande stal te bepalen, overweegt de Afdeling als volgt. Uit het geluidrapport blijkt dat het geluidvermogen van de geluidsbronnen is bepaald en berekend volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999. De Handleiding bepaalt dat naast het direct meten van de bronsterkte ook gebruik kan worden gemaakt van berekeningen en gegevens van fabrikanten. Dat heeft [appellant] niet bestreden. In wat [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat daarmee in dit geval niet had kunnen worden volstaan.
Het betoog in zoverre slaagt niet.
6.3. Over het betoog dat gebouw 33 op een verkeerde hoogte in het model is meegenomen, overweegt de Afdeling dat [appellant] terecht naar voren brengt dat in het geluidrapport niet is uitgegaan van de werkelijke hoogte van het gebouw. Hoewel uit de nadere reactie, waarbij is uitgegaan van de werkelijke omvang van gebouw 33, blijkt dat het maximale geluidsniveau in de avond- en nachtperiode iets wordt overschreden ter plaatse van de achtergevel, wordt aan de in het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) gestelde maximale grenswaarde voor het binnenniveau voldaan. De Afdeling overweegt dat het college daarbij van een geluidswering van, volgens het Bouwbesluit 2012 minimaal vereiste, 20 dB(A) van de achtergevel mag uitgaan. Het college heeft zich dan ook redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat in de woning van [appellant] sprake zal zijn van een aanvaardbaar geluidniveau.
Het betoog in zoverre slaagt niet.
Ten onrechte geen voorschriften voor mestkelders
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college geen voorschriften aan de omgevingsvergunning heeft kunnen verbinden voor de lekkende mestkelders in de bestaande stal. Daartoe voert [appellant] aan dat de huidige mestkelders volledig lek zijn, waardoor alle mest in de bodem verdwijnt. Om die reden zijn voorschriften noodzakelijk.
Daarnaast betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voor de bestaande stal nieuwe mestkelders zijn aangevraagd en om die reden voorschriften hadden moeten worden opgenomen. [appellant] voert daartoe aan dat uit de milieutekening bij de verleende omgevingsvergunning blijkt dat de stal nu volledig wordt onderkelderd. Dat was volgens [appellant] gelet op tekeningen bij de vorige omgevingsvergunning uit 2008 nog niet het geval.
7.1. De Afdeling overweegt dat uit de tekeningen die [appellant] heeft overlegd niet is gebleken dat voor de bestaande stal nieuwe mestkelders zijn aangevraagd. Dat nieuwe mestkelders zouden zijn aangevraagd heeft [appellant] ook niet op een andere wijze aannemelijk gemaakt. Bovendien betwisten zowel het college als [maatschap] dat de aanvraag mede betrekking heeft op de bouw van nieuwe mestkelders. Het college heeft daarover desgevraagd op de zitting toegelicht dat met de verleende omgevingsvergunning geen wijziging van de mestkelders in de bestaande stal is beoogd. Als er al sprake zou zijn van lekkende mestkelders in de bestaande stal wordt dat met deze omgevingsvergunning niet gelegaliseerd. Bovendien is het mogelijk lekken van de mestkelders een kwestie van handhaving.
Over het betoog dat het college voorschriften aan de omgevingsvergunning had moeten verbinden over de bestaande mestkelders ter voorkoming van bodemverontreiniging, overweegt de Afdeling als volgt. Het college heeft terecht toegelicht dat artikel 2.22, vijfde lid, van de Wabo bepaalt dat aan een omgevingsvergunning slechts afwijkende voorschriften kunnen worden opgenomen indien de algemeen verbindende voorschriften die op de vergunde activiteit van toepassing zijn, dat toelaten. De Afdeling overweegt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de algemeen verbindende voorschriften van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn op de vergunde inrichting. Daarin is voor een groot aantal activiteiten rechtstreeks werkende algemene regels opgenomen. Zo voorziet artikel 3.122 van het Activiteitenbesluit in regels ter voorkoming van bodemverontreiniging bij het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf. Het Activiteitenbesluit laat geen ruimte om nadere voorschriften te verbinden aan een omgevingsvergunning voor de oprichting van een inrichting ten aanzien van mestkelders, zoals hier aan de orde. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank daarom terecht overwogen dat het college geen voorschriften aan de omgevingsvergunning heeft kunnen verbinden over de mestkelders in de bestaande stal.
Het betoog slaagt niet.
Landschappelijke inpassing
8. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de voorziene bebouwing niet past binnen de landschappelijke waarden zoals deze op grond van de beheersverordening in acht moeten worden genomen rondom het perceel [locatie 1]. Daartoe voert hij aan dat de uitgangspunten van het Landschappelijk Ontwikkelingskader De Wolden 2012 (hierna: LOK) die in acht moeten worden genomen bij het afwijken van de beheersverordening niet worden gerespecteerd. [appellant] brengt naar voren dat de vergunde stal de doorzichten vanuit het dorp naar het achterliggende landschap doorbreekt en een groot deel van het open landschap in beslag neemt. Dat is volgens [appellant] in strijd met de uitgangspunten van het LOK.
8.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de vergunde stal landschappelijk is ingepast en geen onevenredige afbreuk doet aan de landschappelijke waarden. Daarover heeft het college op de zitting toegelicht dat de vergunde stal geen verdere afbreuk doet aan de doorzichten naar het achterliggende landschap, omdat de bestaande bebouwing en beplanting er al voor zorgen dat er vanaf de straat nauwelijks doorzichten naar het achterliggende landschap bestaan. Verder stelt het college dat met de situering wordt voorkomen dat een groter deel van het open landschap in beslag wordt genomen.
8.2. Artikel 6.4 van de beheersverordening "Buitengebied" luidt:
"Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
[…]
de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;
bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:
a. lid 6.2 sub a onder 2 en/of lid 6.2 sub c onder 1 en toestaan dat gebouwen buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits:
[…]
2. de gebouwen landschappelijk worden ingepast conform het Landschapsontwikkelingskader De Wolden;
[…]."
8.3. Uit het LOK volgt dat het perceel waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, ligt in het deelgebied dat "jonge veldontginningen" wordt genoemd. Karakteristiek voor dat gebied zijn onder meer de doorzichten vanuit het dorp naar het achterliggende landschap en een relatief open landschap.
8.4. De Afdeling overweegt dat de karakteristieken die het LOK beoogt te beschermen geen harde eisen zijn waarvan niet zou kunnen worden afgeweken bij de inpassing als bedoeld in artikel 6.4, aanhef en onder a, onder 2, van de beheersverordening. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat de vergunde stal geen verdere afbreuk doet aan de doorzichten vanuit het dorp naar het achterliggende landschap. Gelet op de bestaande bebouwing en beplanting, en de situering van de vergunde stal in de breedte die daardoor minder van het open landschap inneemt, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld, dat het college redelijkerwijs de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.
Het betoog slaagt niet.
Milieueffectrapportage en strijdig gebruik
9. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld, omdat de effecten voor de omgeving volgens [appellant] groter zijn dan het college in de beoordeling heeft meegenomen. Daarnaast betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat bij voorbaat vaststaat dat niet aan de vergunningvoorschriften kan worden voldaan. [appellant] heeft dit niet eerder aangevoerd. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich bij deze beroepsgronden niet voor. De Afdeling zal deze beroepsgronden dus niet inhoudelijk bespreken.
Conclusie
10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
11. Het college heeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Heijden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
884-1157