ECLI:NL:RVS:2025:5992

Raad van State

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
202402071/1/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestemmingsplan Nieuw Boekhorst, Voorhout en de gevolgen voor omwonenden

Op 10 december 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak over het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Nieuw Boekhorst, Voorhout". Dit bestemmingsplan, vastgesteld door de raad van de gemeente Teylingen op 1 februari 2024, beoogt de ontwikkeling van een nieuwe wijk met maximaal 1.300 woningen aan de noordwestrand van Voorhout. De appellanten, waaronder bewoners en verenigingen, hebben beroep ingesteld tegen dit besluit, omdat zij zich zorgen maken over de gevolgen van het plan voor hun woonomgeving, zoals verkeersveiligheid, waterhuishouding en participatie van omwonenden in het proces.

De Raad van State heeft vastgesteld dat het bestemmingsplan een "bestemmingsplan met verbrede reikwijdte" betreft, wat betekent dat de raad gebruik heeft gemaakt van extra mogelijkheden voor de inrichting van het plan op basis van de Crisis- en Herstelwet. De appellanten hebben verschillende gronden aangevoerd, waaronder het gebrek aan participatie, de verkeersveiligheid, en de waterhuishouding. De Raad heeft de argumenten van de appellanten beoordeeld en geconcludeerd dat de raad voldoende heeft onderbouwd dat het plan voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.

De Raad heeft de beroepen van de appellanten tegen het besluit van 1 februari 2024 gegrond verklaard, omdat dit besluit gebreken vertoonde. Het besluit van 14 november 2024, waarin het bestemmingsplan opnieuw en gewijzigd is vastgesteld, is echter ongegrond verklaard. De Raad heeft de raad van de gemeente Teylingen veroordeeld tot vergoeding van proceskosten voor de appellanten die in het gelijk zijn gesteld, maar niet voor Business Platform Teylingen, wiens beroep ongegrond is verklaard.

Uitspraak

202402071/1/R3
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1.       [appellant sub 1] en anderen, wonend in Voorhout, gemeente Teylingen,
2.       [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend in Voorhout, gemeente Teylingen,
3.       [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], wonend in Voorhout, gemeente Teylingen,
4.       [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), wonend in Voorhout, gemeente Teylingen,
5.       Vereniging De natuurlijke Boekhorstpolder, gevestigd in Voorhout, gemeente Teylingen,
6.       Vereniging Business Platform Teylingen, gevestigd in Voorhout, gemeente Teylingen,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Teylingen,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Nieuw Boekhorst, Voorhout" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4], Vereniging De natuurlijke Boekhorstpolder en Business Platform Teylingen beroep ingesteld.
Bij besluit van 14 november 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Nieuw Boekhorst, Voorhout" opnieuw en gewijzigd vastgesteld.
[appellant sub 1] en anderen, [appellanten sub 2], [appellanten sub 3] en Business Platform Teylingen hebben een zienswijze naar voren gebracht naar aanleiding van het besluit van 14 november 2024.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 november 2025, waar [appellant sub 1] en anderen, in de persoon van [appellant sub 3A], [appellanten sub 3], bijgestaan door drs. S.A.N. Geerling, [appellant sub 4], Vereniging De natuurlijke Boekhorstpolder, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], Business Platform Teylingen, vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en [gemachtigde D], bijgestaan door mr. H. Kremers, advocaat te Leiden, en de raad, vertegenwoordigd door A. Stegeman en D. Best-Beemsterboer, bijgestaan door mr. S.W. Derksen en mr. D.C.E. de Haas, advocaten te Utrecht, zijn verschenen. Ook zijn [partij] en anderen, vertegenwoordigd door mr. V.A.C. de Gier, advocaat te Rotterdam, en Woonstichting Stek, vertegenwoordigd door [gemachtigde E], op de zitting als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 21 september 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2.       De raad wil een nieuwe wijk - Nieuw Boekhorst - met maximaal 1.300 woningen aan de noordwestrand van Voorhout laten bouwen. Het plan is vastgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken. De gronden in het plangebied bestaan nu grotendeels uit agrarisch gebied.
Het plan is een zogenoemd "bestemmingsplan met verbrede reikwijdte". Dit betekent dat de raad gebruik heeft gemaakt van extra mogelijkheden voor de inrichting van het bestemmingsplan op basis van artikel 2.4 van de Crisis- en Herstelwet (hierna: Chw) in verbinding met artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet.
Toetsingskader
3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Besluit van 14 november 2024
4.       Bij besluit van 14 november 2024 (het herstelbesluit) heeft de raad het plan opnieuw en gewijzigd vastgesteld. In de planregels is ter verduidelijking opgenomen wat moet worden verstaan onder "langzaam verkeer", om te borgen dat alleen langzaam verkeer over bruggen is toegestaan. De voorwaardelijke verplichting over een waterberging is vervallen omdat via een watervergunning verleend door de dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland volgens de raad publiekrechtelijk is verzekerd dat wateroverlast wordt voorkomen. Verder is de formulering van de voorwaardelijke verplichting over een openbare groenvoorziening aangepast.
4.1.    Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."
4.2.    De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb tegen het herstelbesluit een beroep van rechtswege is ontstaan van appellanten. Voor zover [appellant sub 1] en anderen, [appellanten sub 2], [appellanten sub 3] en Business Platform Teylingen gronden hebben aangevoerd tegen het herstelbesluit zullen deze hierna behandeld worden. Verder wordt wat [appellant sub 1] en anderen, [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4], Vereniging De natuurlijke Boekhorstpolder en Business Platform Teylingen tegen het oorspronkelijke besluit van 1 februari 2024 naar voren hebben gebracht, door de Afdeling aangemerkt als de gronden van het beroep van rechtswege, voor zover zij dat beroep handhaven.
Participatie
5.       [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4] betogen dat er ten onrechte geen overleg en communicatie over het plan met omwonenden heeft plaatsgevonden. Omwonenden hebben van de plannen kennis moeten nemen na publicatie van het ontwerpbestemmingsplan. Het gebrek aan participatie is volgens [appellant sub 1] en anderen niet te rijmen met de ongemakken die omwonenden gedurende jaren moeten ervaren en is niet in lijn met de geest van de Omgevingswet. [appellanten sub 3] storen zich eraan dat de raad hen en andere buurtbewoners ook niet bij de totstandkoming van het herstelbesluit heeft betrokken. Het projectbureau heeft slechts op het laatste moment de voorgenomen wijzigingen uitgelegd.
5.1.    Het bestemmingsplan is overeenkomstig artikel 3.8 van de Wro voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Vooraf is een ontwerpplan ter inzage gelegd waarover zienswijzen naar voren konden worden gebracht. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4] hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Andere vormen van participatie en inspraak maken geen deel uit van deze voorbereidingsprocedure. Ten tijde van de voorbereiding van het bestemmingsplan was er nog geen participatiebeleid door de raad vastgesteld. Een verplichting tot participatie kan ook niet voortvloeien uit de Omgevingswet, omdat deze wet niet van toepassing is op het bestemmingsplan. De raad heeft overigens toegelicht dat er wel een participatietraject heeft plaatsgevonden. Zo hebben er onder meer informatieavonden en ontwerpateliers plaatsgevonden.
De betogen slagen niet.
Ontsluitingsroute / calamiteitenroute
6.       [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 3] betogen dat het herstelbesluit deels tegemoet komt aan hun gronden over de ontsluitingsroute, maar dat het plan ter plaatse ten onrechte nog steeds een calamiteitenroute toestaat. Ruim 100 m in zuidwestelijke richting is al een bestaande aansluiting aanwezig, voorzien van de functieaanduiding "ontsluiting". Volgens [appellant sub 1] en anderen kan die ontsluiting beter gebruikt worden als calamiteitenroute, deze ontsluiting behoeft namelijk nauwelijks verkeerskundige maatregelen.
Ook voeren [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 3] aan dat de aansluiting op het plangebied van het plan "Dorp Voorhout" uit 2012 gebrekkig is. De bestemmingen "Water" en "Groen" voorzien in dat plan namelijk niet in de mogelijkheid tot het aanleggen van oeververbindingen en gebruiksmogelijkheden voor langzaam verkeer en calamiteitenroutes.
[appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] betogen dat artikel 6.1, onder c, van de planregels ten onrechte niet uitsluit dat de ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer (anders dan calamiteitenverkeer) gebruikt kan worden. Een onderscheid met ander gemotoriseerd verkeer dan hulpdiensten wordt in de planregels niet gemaakt. Daarmee ontstaat volgens [appellanten sub 3] de situatie dat ook de Boekenburglaan moet worden verhoogd om een brugverbinding mogelijk te maken en waarmee parkeervoorzieningen moeten verdwijnen. [appellanten sub 3] vrezen dat de ontsluiting toch door doorgaand verkeer gebruikt zal gaan worden als de ontsluiting er eenmaal ligt.
6.1.    De raad stelt dat in het herstelbesluit is geborgd dat het plangebied niet via de Boekenburglaan zal worden ontsloten voor autoverkeer. Verder moeten alle voorziene en bestaande woningen in het geval van calamiteiten bereikbaar zijn voor hulpdiensten. De raad wijst erop dat dit verplicht is gesteld vanuit de Veiligheidsregio Hollands Midden. Bij calamiteiten zullen de hulpdiensten in beginsel gebruik maken van de wegen binnen het plangebied die voor "normaal" verkeer zijn ingericht (de interne ontsluitingslus). Enkel in het uitzonderlijke geval dat deze wegen zijn gestremd en hulpdiensten het plangebied moeten bereiken of verlaten, zal gebruik worden gemaakt van de speciaal daarvoor bestemde calamiteitenroutes (waaronder degene die aansluit op de Boekenburglaan). In het Beleidsdocument bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden staat hierover dat een willekeurig adres naast de voorkeursroute via een tweede onafhankelijke route (zoals een calamiteitenroute) bereikbaar moet zijn, omdat niet kan worden gegarandeerd dat de voor de hand liggende route altijd bruikbaar is.
Wat [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 3] aanvoeren over de aansluiting op het plangebied "Dorp Voorhout" is volgens de raad niet relevant omdat dit geen betrekking heeft op het voorliggende plan.
6.2.    Aan de gronden in het plangebied die in het verlengde van de Boekenburglaan 151-157 liggen, is de bestemming "Groen" en de functieaanduiding "ontsluiting" toegekend. Tussen de Boekenburglaan 151-157 en het plangebied ligt een watergang, aan de gronden in de watergang is de bestemming "Water" toegekend en de functieaanduiding "steiger uitgesloten".
Artikel 6.1 van de planregels luidt:
"De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor:
[…]
c. ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' tevens voor de ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer over rijwegen, trottoirs en bijbehorende voorzieningen;
[…]."
Artikel 11.1 luidt:
"De voor Water aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. verkeer te water;
b. oeververbindingen, waaronder in ieder geval wordt verstaan bruggen en duikers, voor langzaam verkeer en calamiteitenroutes;
[…]."
Artikel 1.86 luidt:
"langzaam verkeer
alle vormen van niet zijnde gemotoriseerd verkeer, waaronder (brom)fietsers, voetgangers, en geleiders/berijders van een dier."
6.3.    De Afdeling stelt vast dat gemotoriseerd verkeer op grond van artikel 6.1, onder c, van de planregels toegestaan is ter plaatse van de voorziene ontsluiting, maar dat op grond van artikel 11.1, onder b, alleen langzaam verkeer over een brug naar de Boekenburglaan toegestaan is. Van langzaam verkeer is een definitie opgenomen in het herstelbesluit, het gaat hierbij om niet-gemotoriseerd verkeer. Er mag alleen nog een oeververbinding voor langzaam verkeer en calamiteitenroutes over de bestemming "Water" worden gerealiseerd, nu de functieaanduiding "ontsluiting" niet voor de bestemming "Water" geldt in het verlengde van de Boekenburglaan. Een brug voor gemotoriseerd verkeer (niet zijnde calamiteitenverkeer) is daar niet toegestaan. Door het herstelbesluit is dus uitgesloten dat het plangebied voor autoverkeer (voor zover het geen calamiteitenverkeer betreft) ontsloten wordt via de Boekenburglaan. Voor zover [appellanten sub 3] vrezen dat de ontsluiting toch door gemotoriseerd verkeer gebruikt zal gaan worden overweegt de Afdeling dat dit een handhavingskwestie is, omdat dit gebruik in strijd met de planregels zou zijn. De raad heeft op de zitting toegelicht dat in ieder geval met bebording aangegeven zal worden dat dit niet is toegestaan.
Wat het toestaan van een eventuele calamiteitenroute die aansluit op de Boekenburglaan betreft, overweegt de Afdeling dat de raad heeft onderbouwd dat het van belang is dat alle woningen in geval van calamiteiten goed bereikbaar zijn en dat dit ook verplicht is. De calamiteitenroute zal alleen in het geval van calamiteiten, en dus beperkt, door niet-langzaam verkeer worden gebruikt. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de mogelijkheid voor een calamiteitenroute hier niet heeft kunnen toestaan.
Verder heeft de raad toegelicht dat er nog verschillende opties zijn voor de locaties van de calamiteitenroutes. Omdat het nog onzeker is waar de calamiteitenroutes komen heeft de raad nog geen beslissing genomen over het afwijken van, of aanpassen van, het planologisch regime van "Dorp Voorhout". De raad zal hier wel toe overgaan als de calamiteitenroute eenmaal is gekozen en dit nodig blijkt te zijn. De Afdeling volgt de raad in zijn standpunt dat het daarom op dit moment niet relevant is of het plan "Dorp Voorhout" de aansluiting van de calamiteitenroute toestaat.
De betogen slagen niet.
Verkeersveiligheid
7.       [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan tot verkeersonveiligheid zal leiden. Het parkeren aan de Boekenburglaan 151-157 wordt behouden maar er wordt ook langzaam verkeer aan toegevoegd. De ontsluitingsweg zal de Boekenburglaan drukker maken met (elektrische) fietsen. De kans dat er ongelukken gebeuren zal door deze extra ontsluiting vele male groter worden volgens [appellant sub 1] en anderen. Door de (bak)fietsen is er weinig ruimte om deel te nemen aan het verkeer, omdat er weinig ruimte is voor het fietsverkeer.
[appellanten sub 2] betogen dat het plan ten onrechte een langzaam verkeersroute en calamiteitenroute toestaat die aansluit op het nu nog doodlopende stuk van de Boekenburglaan waar zij aan wonen. Het aantal fietsers op de Boekenburglaan zal hierdoor flink toenemen. [appellanten sub 2] vrezen voor een aantasting van de verkeersveiligheid door de toename van fietsverkeer. Hierbij wijzen [appellanten sub 2] op de aanwezigheid van haaksparkeerplaatsen, de smalheid van de Boekenburglaan en op de mogelijk grote aantallen fietsers in combinatie met de snelheid waarmee deze zich tegenwoordig kunnen voortbewegen.
7.1.    De raad stelt dat het plan niet zal leiden tot een aantasting van de verkeersveiligheid op de Boekenburglaan, en verwijst hierbij naar de memo "fietsverbinding bestaande bebouwing" van 18 december 2024 (hierna: memo fietsverbinding) en het rapport "Verkeersveiligheidstoets fietsverbinding Boekenburglaan 151-159 te Voorhout" van De Baan Verkeersadvies B.V. van 17 september 2025 (hierna: de verkeersveiligheidstoets).
7.2.    De memo fietsverbinding gaat over de fietsverbinding waar het hier om gaat (ook wel aangeduid als fietsverbinding 1, die uitmondt op een nu nog doodlopende zijtak/een parkeerstraatje, van de Boekenburglaan) en geeft een inschatting van het aantal fietsers dat gebruik zal gaan maken van deze fietsverbinding. De verkeersveiligheidstoets gaat vervolgens in op de verkeersveiligheid hier. In de verkeersveiligheidstoets is geconcludeerd dat het aantal fietsers ten opzichte van de huidige situatie zal toenemen en daarmee ook het aantal potentiële conflicten, maar dat de straat vergelijkbaar is met een gangbare weg in een 30km-zone waarop wordt geparkeerd en gefietst. De toename van de geringe verkeersveiligheidsrisico's is naar het oordeel van De Baan Verkeersadvies acceptabel en de nieuwe langzaamverkeersroute zal niet leiden tot onacceptabele verkeersonveilige situaties. Gelet hierop kon de raad zich naar oordeel van de Afdeling op het standpunt stellen dat het plan de verkeersveiligheid niet onevenredig aantast.
De betogen slagen niet.
Bouwverkeer
8.       [appellant sub 4] betoogt dat tijdelijke bouwroutes ten onrechte niet zijn geregeld in het plan. Nergens is er een aanduiding hoe het bouwverkeer gefaciliteerd zal worden, [appellant sub 4] wil een aanduiding in het plan waarlangs de tijdelijke bouwroutes zich zullen bevinden.
8.1.    Overlast door bouwwerkzaamheden heeft geen betrekking op het bestemmingsplan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten maken geen onderdeel uit van het besluitvormingsproces over de ruimtelijke keuzes en hoeven daarom niet te worden betrokken bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Uitvoeringsaspecten kunnen in een bestemmingsplanprocedure niet aan de orde komen. Dit geldt ook ten aanzien van het bouwverkeer.
Waterhuishouding
9.       [appellant sub 1] en anderen betogen dat het van belang is dat de waterbergingsvoorziening wordt gerealiseerd om natte voeten in de toekomst te voorkomen. Dat de voorwaardelijke verplichting waterberging met het herstelbesluit is komen te vervallen, neemt ondanks de toelichting van het Hoogheemraadschap, de zorg ten aanzien van een mogelijke verhoging van het waterpeil niet weg. Volgens [appellant sub 4] moet compensatie plaatsvinden in het plangebied, en is de waterberging ten onrechte buiten het plangebied voorzien.
[appellanten sub 2], [appellant sub 4] en [appellanten sub 3] vrezen dat door de maatregelen die in het plangebied aangaande de waterhuishouding worden genomen, er wateroverlast op hun perceel zal ontstaan, onder meer als gevolg van een stijgende grondwaterstand. In het plan is een verhoging van het polderpeil naar het boezempeil opgenomen. Er is ten onrechte niet onderzocht wat het effect hiervan is op sommige bestaande woningen, waaronder die van hen.
9.1.    De raad heeft het rapport "Gebiedsontwikkeling Nieuw Boekhorst Watertoets" van Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. van 9 september 2022 (hierna: de watertoets) aan het plan ten grondslag gelegd. Ook heeft de raad de memo "Diverse vragen watersysteem Nieuw Boekhorst" van Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. van 20 augustus 2025 (hierna: memo watersysteem) overgelegd.
In de memo watersysteem wordt geconcludeerd dat de grondwaterstand ter plaatse van de bestaande woningen aan de Boekenburglaan als gevolg van het plan niet zal verslechteren. Daarnaast kan het bodemwater van Nieuw Boekhorst niet bij de bestaande woningen aan de Boekenburglaan terecht komen vanwege de tussengelegen watergang, waardoor ook ten aanzien van het bodemwater geen negatieve effecten te verwachten zijn. Tot slot wordt geconcludeerd dat het nieuwe polderwatersysteem meer waterberging heeft dan in de huidige situatie. Het plan zal geen negatieve effecten op het waterbergend vermogen van de polder hebben. In de huidige situatie is soms sprake van wateroverlast in de kruipruimte bij woningen langs de Boekenburglaan, maar dit is een bestaand probleem, en niet gerelateerd aan de ontwikkeling Nieuw-Boekhorst. Er vindt geen verslechtering plaats door de voorziene ontwikkeling.
In de watertoets staat dat de oppervlakteverdeling wijzigt omdat sprake is van verharding. Voor het dempen van watergangen en per toename verharding moet watercompensatie worden gerealiseerd. Uit de watertoets volgt dat 17% van de toename verharding in alternatieve waterberging wordt gecompenseerd en 83% van de toename verharding (24.572 m²) in oppervlaktewater. De alternatieve waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van wadi's, infiltratiekratten en laaggelegen groene zones. Ten aanzien van de compensatie in oppervlaktewater geldt dat de toename van het wateroppervlak in het plangebied 19.813 m² is. Voor de overige 4.759 m² wordt gebruik gemaakt van het overschot aan watercompensatie van de aangrenzende Noordelijke Randweg van 4.836 m². De raad heeft toegelicht dat er netto sprake is van een overcompensatie in het bestemmingsplan van 77 m². Voor de toename van verharding en alternatieve waterbergingen is een vergunning verleend door het Hoogheemraadschap van Rijnland.
Verder heeft de raad toegelicht dat compensatie buiten het plangebied mocht plaatsvinden. Ten aanzien van de watercompensatie van de aangrenzende Noordelijke randweg geldt dat de dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland bij besluit van 13 april 2021 een vergunning hebben verleend voor het dempen en graven van oppervlaktewater en het verleggen van de regionale waterkering voor de aanleg van de Noordelijke Randweg in Voorhout. Uit de vergunning blijkt dat een overcompensatie aanwezig is van 993 m² in de Polder Boekhorst en een overcompensatie van 3.843 m² in de Boezem. De overcompensatie bedraagt daarmee 4.836 m². Op grond van de uitvoeringsregels Keur Rijnland 2020 mag worden gecompenseerd met water dat aantoonbaar extra gegraven is vijf jaar direct voorafgaand aan de melding van de verharding. De gemeente Teylingen heeft toestemming gegeven om de overcompensatie over te dragen aan het project Nieuw Boekhorst.
Verder staat in de memo watersysteem over het waterbergend vermogen van het plangebied dat het nieuwe polderwatersysteem meer waterberging heeft dan in de huidige situatie.
Gelet op de conclusies in de watertoets en de memo watersysteem heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat wateroverlast in de omgeving van het plangebied zal ontstaan ten gevolge van de voorziene ontwikkeling.
De betogen slagen niet.
Parkeernorm sociale huurwoningen
10.     [appellant sub 1] en anderen betogen dat in de berekening van de parkeerbehoefte niet uitgegaan kon worden van 1,1 auto per appartement, omdat er maar 126 van de 329 mensen op de enquête hierover hebben gereageerd.
10.1.  De raad stelt dat de parkeernorm voor sociale huurwoningen op een deugdelijke wijze tot stand is gekomen. Hierbij verwijst de raad naar de notitie "Onderbouwing parkeernorm sociale appartementen Nieuw Boekhorst" van Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. van 18 juli 2023 (hierna: de parkeernotitie) die als bijlage bij de planstukken zit. Het plan gaat uit van een parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per sociale huurwoning, wat lager is dan de parkeernorm van 1,5 parkeerplaats per woning uit het gemeentelijk parkeerbeleid. Deze lagere norm is in de parkeernotitie gemotiveerd. Uit de parkeernotitie blijkt dat een norm van 1,1 parkeerplaats per sociale huurwoning, inclusief bezoekersparkeren, aansluit bij het gemiddelde autobezit in de regio van 0,9 auto per woning en daarmee volgens de raad passend is. De CROW-richtlijnen voor sociale huurappartementen op vergelijkbare locaties liggen tussen 0,8 en 1,6 parkeerplaatsen per woning. Dat betekent dat de parkeernormen van de gemeente Teylingen met 1,5 aan de hoge kant zitten. Bovendien maakt het gemeentelijk parkeerbeleid geen onderscheid in de parkeernormen per woningtype wat betreft huur/koop en goedkoop/duur. Gemiddeld genomen leiden lage inkomens en huurwoningen tot lager autobezit. Dat blijkt ook uit de met de enquête uitgevoerde steekproef onder 126 bewoners van de sociale woningbouwstichting Stek waaruit volgt dat in de regio bij sociale huurwoningen een gemiddeld autobezit is van 0,93 per woning. Dat is  beduidend lager dan het gemiddelde autobezit binnen de gemeente Teylingen dat volgens het CBS 1,1 auto per woning bedraagt. Het plangebied heeft bovendien een gunstige ligging nabij station Voorhout, met directe verbindingen naar steden als Leiden en Den Haag, wat de afhankelijkheid van de auto verder vermindert. De combinatie van bovenstaande factoren maakt een verlaging van de parkeernorm naar 1,1 parkeerplaats per sociale huurwoning in Nieuw Boekhorst volgens de raad passend.
De enkele stelling dat slechts 38% van de genodigden op de enquête heeft gereageerd, betekent volgens de raad niet dat de parkeernorm voor sociale huurwoningen niet op een deugdelijke wijze tot stand is  gekomen.
Verder wijst de raad erop dat voor zover [appellant sub 1] en anderen vrezen voor parkeeroverlast in hun wijk geldt dat het plan geen veranderingen aanbrengt in de bestaande situatie daar. Van bijvoorbeeld een doorkoppeling voor autoverkeer naar de bestaande wijk is namelijk geen sprake.
10.2.  De Afdeling is van oordeel dat de raad de gehanteerde parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per sociale huurwoning voldoende heeft onderbouwd. Het betreft een afwijking van het gemeentelijke parkeerbeleid, maar de raad heeft deze afwijking onder meer gemotiveerd onder verwijzing naar CROW-richtlijnen en heeft ook onderbouwd dat de nieuwe wijk dicht bij een OV-station ligt. De aangehaalde enquête is hierbij niet bepalend geweest. De raad heeft toegelicht dat deze hooguit ondersteunend is gebruikt. Dat maar een deel van de genodigden op de enquête heeft gereageerd maakt dan ook niet dat de raad de parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per sociale huurwoning niet kon hanteren.
Het betoog slaagt niet.
Akoestisch onderzoek
11.     [appellant sub 1] en anderen betogen dat ten onrechte niet is onderzocht of er bij hun woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vanwege geluid. De verkeersstructuur is niet vastgelegd in het plan, dus het zou kunnen dat er wegen op andere plekken komen dan waar het akoestisch onderzoek vanuit gaat, waardoor de geluidsbelasting bij de woningen van [appellant sub 1] en anderen hoger zal zijn. Voordat kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening moeten de wegen in het plangebied volgens [appellant sub 1] en anderen worden vastgelegd.
11.1.  De raad heeft akoestisch onderzoek laten uitvoeren en stelt dat er bij bestaande woningen een aanvaardbare geluidsbelasting zal zijn. In het aanvullende akoestisch onderzoek is een (theoretische) verschuiving van de ontsluitingslus richting het zuiden in beeld gebracht. Hierbij wijst de raad erop dat autoverkeer alleen ter plaatse van de aanduiding "ontsluiting" de bestemmingen "Groen" of "Water" mag doorkruisen. Vanwege de locatie van deze bestemmingen en aanduiding, en de omstandigheid dat de ontsluitingslus is bedoeld als interne ontsluitingsstructuur voor de wijk, is  het niet mogelijk dat de ontsluitingslus zuidelijker wordt gerealiseerd. Uit het aanvullend akoestisch onderzoek is gebleken dat een verschoven ligging van de ontsluitingslus niet leidt tot een andere geluidbelasting op de bestaande woonbebouwing ten opzichte van de geprojecteerde ontsluitingslus in het akoestisch onderzoek. De geluidbelasting van de ontsluitingslus blijft ruim onder de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder.
11.2.  De raad heeft het rapport "Akoestisch onderzoek bestemmingsplan Nieuw Boekhorst" van 9 januari 2024 van Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. aan het plan ten grondslag gelegd en de notitie "Oplegger akoestisch onderzoek goed woon- en leefklimaat" van 1 oktober 2025 van Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. (hierna: het aanvullend akoestisch onderzoek) overgelegd.
In het aanvullend akoestisch onderzoek staat onder meer: "Uit de hiervoor uiteengezette rekenresultaten blijkt dat het geluid van de nieuwe wijkontsluitingsweg (op de positie van de vastgestelde gebieds- en kwaliteitsvisie) ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ligt. Omdat in het bestemmingsplan de wijkontsluiting niet op de plankaart in een specifieke bestemming is vastgelegd, is het (in theorie) planologisch mogelijk de wijkontsluiting op een andere positie te realiseren. […] Voor de volledigheid is een meer zuidelijkere gelegen wijkontsluitingsweg gemodelleerd, om de effecten op de geluidbelasting hiervan inzichtelijk te maken. Waarbij wordt benadrukt dat het niet aannemelijk is dat de wijkontsluitingsweg op deze locatie wordt gerealiseerd". Vervolgens wordt in het aanvullend akoestisch onderzoek geconcludeerd: "Uit deze aanvullende berekeningen volgt dat ter hoogte van de woningen aan de Boekenburglaan hooguit een minimale wijziging van 1 dB optreedt. […] Daarmee kan verder gesteld worden dat voor de geluidbelasting afkomstig van alleen de wijkontsluiting sprake is van een akoestisch aanvaardbare kwaliteit, en een goede ruimtelijke ordening" en "Ter hoogte van de woningen aan de Boekenburglaan treden geen wijzigingen op in de cumulatieve geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer. De cumulatieve geluidbelasting op de woningen aan de Beukenrode en Meidoornrode neemt wel toe, tot ook maximaal 55 dB exclusief aftrek 110g Wgh. […] De geluidbelasting van de wegen afzonderlijk ligt op of onder de voorkeursgrenswaarde (uitgezonderd de Meidoornrode 39). Daarmee kan gesteld worden dat sprake is van een akoestisch aanvaardbare kwaliteit, en een goede ruimtelijke ordening". Gelet op de conclusies in het aanvullende akoestisch onderzoek heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat bij de woningen van [appellant sub 1] en anderen aan de Boekenburglaan ook bij een zuidelijkere ligging van de ontsluitingslus sprake zal zijn van een aanvaardbare akoestische situatie. De locaties van de voorziene wegen in het plangebied hoefden daarom niet vastgelegd te worden in het plan om met betrekking tot het aspect geluid te kunnen spreken van een goede ruimtelijke ordening.
Het betoog slaagt niet.
Karakteristieke hooimijt
12.     [appellanten sub 3] betogen dat de karakteristieke hooimijt die zich in het plangebied bevindt opmerkelijk genoeg niet positief is bestemd. Een specifieke aanduiding voor het bouwwerk ontbreekt.
12.1.  De raad stelt dat de hooimijt behouden blijft voor inpassing in de toekomstige groenstructuur. De beoogde locatie wordt in de verdere uitwerking bepaald, waarbij het mogelijk is dat de hooimijt verplaatst wordt naar een locatie elders in de groenstructuur. Het plan maakt dit mogelijk. Zo zijn op grond van artikel 6.1, aanhef en onder g, van de planregels de voor de bestemming "Groen" aangewezen gronden onder meer bestemd voor één hooimijt. Hoewel de exacte locatie van de Hooimijt gelet op de globale wijze van bestemmen nog niet bekend is, is van het wegbestemmen van de hooimijt in ieder geval geen sprake.
12.2.  Artikel 6.1 van de planregels luidt:
"De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor:
[…]
g. één hooimijt;
[…]."
12.3.  De Afdeling stelt vast dat één hooimijt is toegestaan op gronden met de bestemming "Groen". Het is niet zo dat de hooimijt planologisch niet meer is toegestaan. De raad heeft op zitting toegelicht dat de hooimijt uit elkaar is gehaald en opgeslagen ligt, en ergens in het plangebied zal terugkomen. Het plan staat dit ook toe.
Het betoog slaagt niet.
Bebouwing achter woning [appellant sub 4]
13.     [appellant sub 4] betoogt dat de globale opzet van het bestemmingsplan tot rechtsonzekerheid leidt. De bestemming "Wonen" ligt op 5,5 m van het einde van zijn achtertuin, dus er ontstaat inkijk in de achtertuin. Het plan maakt niet duidelijk of er wellicht in plaats van een woning een weg komt aan deze zijde, om de woningen te ontsluiten. Volgens [appellant sub 4] is het voor huidige bewoners van belang om enige zekerheid te hebben over waar bebouwing en wegen komen. Hij wil dat in het plan bouwvlakken en voor- en achtergevelrooilijnen worden opgenomen, een bepaling over afschermende werking tussen bestaande woningen en de nieuwe wijk (een op te richten houtwal over een lengte van 27 m) en de ontsluitingsstructuur vastgelegd zien in het plan. Een besproken houtwal tussen bestaande bebouwing en nieuwe woningen in het plangebied is ten onrechte niet in het plan opgenomen. Volgens [appellant sub 4] bestaat er bij de raad geen bereidheid tot overleg ondanks eerder gewekte verwachtingen. Ook heeft iemand van Heijmans volgens [appellant sub 4] toegezegd dat er een bebouwingsvrije zone zou komen tussen bestaande woningen en nieuwe bebouwing van 85 m.
13.1.  De raad stelt dat het woon- en leefklimaat van [appellant sub 4] niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Het plan kan wel leiden tot een afname van privacy, maar de woning van [appellant sub 4] ligt op ongeveer 15 m van de in het plangebied opgenomen bestemming "Woongebied" en wordt daarvan gescheiden door watergang de Molentocht. Deze afstand is volgens de raad niet ongebruikelijk. Bovendien regelt artikel 13.2.1 van de planregels dat ter plaatse van de aanduiding "openheid" geen bouwwerken mogen worden gerealiseerd. Deze aanduiding is aan de rand van de bestemming "Woongebied" toegekend. Dat betekent dat de afstand van het einde van de achtertuin van [appellant sub 4] tot aan de - eventueel - te realiseren bouwwerken minimaal 7 m bedraagt.
13.2.  Aan de watergang tussen de tuin van [appellant sub 4] en het plangebied is de bestemming "Water" toegekend. Aan de gronden in het plangebied die hieraan grenzen de bestemming "Woongebied" en aan een strook van 2 m het dichtst bij de watergang ook de aanduiding "openheid".
Artikel 13.1 van de planregels luidt:
"De voor Woongebied aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. wonen met de mogelijkheid van aan-huis-gebonden beroepen, in de vorm van:
[…]
f. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, perceelontsluitingen, calamiteitenroutes, tuinen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen (waaronder mede begrepen duikers), openbare groenvoorzieningen, al dan niet in de vorm van wadi's, speelvoorzieningen, langzaamverkeersroutes, wegen, alsmede opstelstroken, hellingbanen, opritten, bruggen, viaducten en duikers, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling en wegmeubilair".
Artikel 13.2.1 luidt:
"a. op deze gronden mag worden gebouwd.
b. in afwijking hiervan worden ter plaatse van de aanduiding 'openheid' geen bouwwerken gerealiseerd. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'openheid' betreffen geen erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van de inwerkingtreding van dit plan.
[…]."
13.3.  Zoals onder 2 staat is dit een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte gebaseerd op de bepalingen van de Chw. Daarmee beoogde de wetgever gemeenteraden, vooruitlopend op de Omgevingswet, meer ruimte te geven om flexibeler in te spelen op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In zoverre heeft de wetgever voorzien en beoogd dat bij Chw-bestemmingsplannen op planniveau sprake zou kunnen zijn van minder zekerheid en duidelijkheid dan gebruikelijk is bij ‘traditionele’ bestemmingsplannen. Het plan dient wel voldoende inzichtelijk te maken welke inrichting van het betreffende plangebied (of delen daarvan) mogelijk wordt gemaakt en onder welke voorwaarden.
13.4.  In dit geval is voldoende duidelijk welke effecten de toegestane bebouwing op de woning van [appellant sub 4] zal hebben. Naar het oordeel van de Afdeling is het plan op dit punt niet rechtsonzeker. Het plan staat bebouwing toe op 7 m afstand van de tuin van [appellant sub 4], en op 17 m afstand van de woning van [appellant sub 4]. Dergelijke afstanden zijn niet ongebruikelijk in een stedelijke omgeving als waar het hier omgaat. De Afdeling begrijpt dat de woonomgeving van [appellant sub 4] door de voorziene ontwikkeling zal veranderen, maar is van oordeel dat er geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 4]. De raad heeft de bevoegdheid om te kiezen voor een flexibel plan.
Daargelaten wat een medewerker van Heijmans precies heeft gezegd, deed hij deze uitlating niet namens de raad en is dus geen sprake van een toezegging.
Het betoog slaagt niet.
Flexibiliteit plan
14.     Vereniging De natuurlijke Boekhorstpolder (hierna: de vereniging) betoogt dat de flexibele planregeling tot rechtsonzekerheid leidt. Hierbij wijst de vereniging erop dat de verkeersstructuur niet is vastgelegd. Wegen kunnen binnen de bestemming "Groen", "Water" en "Woongebied" worden aangelegd. Dit kan volgens de vereniging ten koste gaan van groen in de wijk. De bestemming "Groen" staat ook fiets- en voetpaden, ontsluitingsmogelijkheden en andere nutsvoorzieningen toe. Volgens de vereniging had de plek van de voorziene ontsluitingsweg de bestemming "Verkeer" moeten krijgen, in plaats van "Groen". Ook wordt onvoldoende rekening gehouden met de privacy van bewoners van de Meidoornrode en de Boekenburglaan waarvan de achtertuin direct is gelegen aan het plangebied.
14.1.  De raad stelt dat de flexibele planregeling niet rechtsonzeker is. Met een plan met verbrede reikwijdte heeft de wetgever beoogd om meer ruimte aan de raad te geven om flexibeler in te spelen op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In zoverre heeft de wetgever voorzien en beoogd dat bij Chw-bestemmingsplannen op planniveau sprake zou kunnen zijn van minder zekerheid en duidelijkheid dan gebruikelijk is bij "traditionele" bestemmingsplannen. De gebieds- en beeldkwaliteitsvisie geeft een indicatie van de stedenbouwkundige visie en uitwerking van het gebied. De gebieds- en beeldkwaliteitsvisie gaat uit van een woonwijk waarin groen en water centraal staan en vloeiend in elkaar over gaan en waarbij de woonconcepten zorgvuldig worden ingepast in de groen-blauwe structuur van de wijk die is opgebouwd uit brede groenstructuren, watergangen en veel bomen.  Hiervoor moet het bestemmingsplan volgens de raad op een zodanige flexibele manier kunnen worden ingericht dat de hoofdstructuur voor groen en water is vastgelegd en gaandeweg de uitwerking van het plan nader kan worden ingevuld zonder dat hier afzonderlijke planologische procedures voor doorlopen moeten worden. De raad wijst er hierbij op dat de bestemmingen "Bedrijf", "Tuin", "Agrarisch", "Agrarisch - Waardevolle graslanden", "Natuur", "Groen" en "Water" meer zijn uitgewerkt. Deze uitgewerkte bestemmingen gelden in het bijzondere ter plaatse van de bestaande woningen of als landschappelijk raamwerk. Per bestemming zijn in de planregels regels gesteld over de toegestane gebruiks- en bouwmogelijkheden. Volgens de raad is het voor omwonenden en andere belanghebbenden voorzienbaar met welke ruimtelijke ontwikkelingen zij op basis van het bestemmingsplan kunnen worden geconfronteerd en wat daarvan de ruimtelijke gevolgen voor hun directe woon- en leefomgeving kunnen zijn. Zo zijn in het bestemmingsplan maximale bouwhoogtes en bebouwingsoppervlaktes opgenomen binnen de gronden met de bestemming "Woongebied". De raad acht het niet noodzakelijk om de aanduiding "ontsluiting" binnen de bestemming "Verkeer" op te nemen. Juist de bestemming "Groen" biedt de door de raad gewenste mogelijkheden voor de verdere uitwerking. Met het oog op het bieden van voldoende flexibiliteit is de interne verkeersstructuur voor autoverkeer niet in het plan vastgelegd. De raad meent dat de interne ontsluitingswegen in het bestemmingsplan wel mogelijk moeten zijn, ook wanneer deze de bestemming "Groen" doorkruisen. Ten behoeve van de ontsluitingswegen in het plangebied is het dan ook volgens de raad noodzakelijk dat in het plan binnen de bestemming "Groen" ook andere functies zijn toegestaan zoals wegen voor autoverkeer (uitsluitend) binnen de aanduiding "ontsluiting". Dit betekent echter niet dat deze functies ook altijd gerealiseerd zullen worden. Als gevolg van de voorwaardelijke verplichting voor de realisatie van openbare groenvoorzieningen is verzekerd dat binnen het plangebied openbaar groen wordt aangelegd.
14.2.  Artikel 13.2.2 luidt:
"Het gebruik van gronden en bouwwerken voor wonen (zoals bedoeld in artikel 13, lid 13.1 onderdeel a) binnen de bestemming ‘Woongebied’ is niet toegestaan indien niet binnen twee jaar na ingebruikname van gronden en bouwwerken voor wonen gemiddeld minimaal 75 m² aan openbare groenvoorziening per in gebruik genomen woning binnen de bestemming ‘Woongebied’ of ‘Groen’ is aangelegd en deze openbare groenvoorzieningen vervolgens niet in stand worden gehouden.
Onder openbare groenvoorziening in de zin van dit artikel (13.2.2) wordt verstaan: openbare groenstroken, parken, plantsoenen, bermen, wadi’s en speelplaatsen."
14.3.  Zoals overwogen onder 13.3 gaat het om een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. De raad heeft toegelicht dat gekozen is voor een bepaalde flexibiliteit in het plan, en dat bij de uitwerking vast komt te liggen waar de wegen precies komen. Daarom zijn er ook ontsluitingsmogelijkheden binnen de bestemming "Groen". De raad is bevoegd om een flexibeler plan vast te stellen. De gebieds- en beeldkwaliteitsvisie geeft de opzet van het plan weer, en de maximale bouwhoogtes en bebouwingsoppervlaktes binnen de bestemming "Woongebied" zijn wel in het plan opgenomen. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de toegestane inrichting van het plangebied, de daarbij aan de orde komende voorwaarden voldoende inzichtelijk. Verder is op grond van artikel 13.2.2 vereist dat 75 m² aan openbare groenvoorziening per in gebruik genomen woning binnen de bestemming "Groen" of "Woongebied" wordt aangelegd. Naar het oordeel van de Afdeling is de door de raad gewenste groene invulling hiermee geborgd. Dat binnen de bestemming "Groen" ook bijbehorende voorzieningen zoals nutsvoorzieningen zijn toegestaan doet hier niet aan af. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de voorziene ontsluitingsweg de bestemming "Verkeer" had moeten krijgen. Zoals hiervoor overwogen onder 13.3 is de Afdeling verder van oordeel dat de privacy van omwonenden aan de Meidoornrode (waar [appellant sub 4] aan woont) niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Dit geldt ook voor bewoners van de Boekenburglaan, waar de afstand tot de voorziene woningbouw even groot of groter is.
Het betoog slaagt niet.
Uitgangspunten beleid
15.     De vereniging betoogt dat de vastgelegde ambities en uitgangspunten voor Nieuw Boekhorst niet overeenkomen met de vastgestelde planregels. De ambities zijn onder meer vastgelegd in de ‘Onderbouwing landschappelijke inpassing’ en de ‘Gebieds- en kwaliteitsvisie’. Deze documenten gaan uit van het behoud van natuur en groen, maar deze uitgangspunten komen volgens de vereniging nauwelijks terug in de planregels.
15.1.  Op de zitting heeft de vereniging toegelicht dat zij met deze beroepsgrond heeft bedoeld dat in het plan in meer groen moet worden voorzien. De raad heeft hierover een afweging gemaakt, en heeft in de planregels geborgd dat 75 m² aan openbare groenvoorziening per in gebruik genomen woning binnen de bestemming "Groen" of "Woongebied" moet worden aangelegd. De vereniging heeft niet onderbouwd waarom sprake zou zijn van strijd met het gemeentelijke beleid. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met gemeentelijk beleid is vastgesteld.
Het betoog slaagt niet.
Flora en fauna
16.     De vereniging betoogt dat uit de stukken bij het plan niet op te maken valt of het soortenbeschermingsregime uit de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De waarnemingen van de vereniging zijn niet in overeenstemming met de onderzoeken en de onderzoeken lijken de vereniging onvolledig. Er is onvoldoende tot geen onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van beschermde vissoorten binnen het plangebied. Uit onderzoek dat de gemeente in 2012 heeft laten uitvoeren in het kader van de Noordelijke randweg blijkt dat er beschermde vissoorten in de omgeving voorkomen.
De vereniging voert aan dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar uitwijkmogelijkheden van de grutto. Er is onvoldoende geborgd dat ‘de Driehoek’ (de locatie die als uitwijkmogelijkheid is aangewezen) geschikt wordt voor weidevogels. Ook is onduidelijk of de rugstreeppad een plek kan krijgen in de Driehoek.
[appellant sub 4] betoogt dat veel onderzoeken die bij het plan zitten nog uitwerking of actualisatie nodig hebben. Dit leidt tot onzekerheid bij de huidige bewoners. Uit een onderzoek uit 2012 blijkt dat er zich verschillende soorten beschermde vissoorten binnen het plangebied bevinden. Volgens [appellant sub 4] bevinden zich meerdere beschermde diersoorten in het plangebied, zoals de grutto, de rugstreeppad, de ijsvogel en vleermuizen. Het is volgens [appellant sub 4] de vraag of de rugstreeppad na verplaatsing op die plek zal blijven en zal kunnen overleven.
16.1.  De raad stelt dat het wettelijke soortenbeschermingsregime niet aan de uitvoering van het bestemmingsplan in de weg staat, en verwijst hierbij naar verschillende onderzoeken die aan het plan ten grondslag zijn gelegd.
16.2.  De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
De raad heeft het rapport "Gebiedsverkenning Nieuw Boekhorst Quickscan natuur" van Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. van 7 oktober 2022 (hierna: de quickscan), het rapport "Woningbouw ontwikkeling Nieuw Boekhorst Nader soortenonderzoek rugstreeppad" van Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. van 4 november 2021, de notitie "Oplegnotitie vleermuisonderzoeken" van Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs van 25 oktober 2022, de notitie "Onderzoek platte schijfhoren Voorhout, Polder Nieuw Boekhorst" van Breur Ecologie & Onderzoek van 22 september 2022, de notitie "Onderzoek jaarrond beschermde nesten" van Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. van 15 december 2022 en de notitie "Controle jaarrond beschermde nesten en potenties voor vleermuizen" van Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. van 25 oktober 2022 aan het plan ten grondslag gelegd.
In de onderzoeken is niet geconcludeerd dat uitvoering van het plan evident zal leiden tot overtredingen van verbodsbepalingen, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit kan worden verleend. In de quickscan staat dat er voor de grutto voldoende uitwijkingsmogelijkheden zijn. Voor de rugstreeppad wordt een gebied ingericht voor compensatie. GS heeft ontheffing verleend voor het verplaatsen van de rugstreeppad. Binnen de Habitatrichtlijn zijn alleen de vissoorten houting en steur beschermd. In de quickscan staat dat is uitgesloten dat deze vissoorten binnen het plangebied voorkomen. De Afdeling ziet in wat door de vereniging en [appellant sub 4] is aangevoerd geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de bevindingen en conclusies van de rapporten. De vereniging en [appellant sub 4] hebben de conclusies uit deze onderzoeken bijvoorbeeld niet aan de hand van een tegenonderzoek of op een andere wijze bestreden. De enkele stelling dat zich beschermde soorten binnen het plangebied voordoen is onvoldoende voor het oordeel dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. [appellant sub 4] voert geen feiten en omstandigheden aan op grond waarvan betwijfeld zou moeten worden dat de genoemde onderzoeken niet actueel zijn of zodanig zijn verouderd dat getwijfeld moet worden aan de representativiteit ervan en het bestemmingsplan om die reden evident niet uitvoerbaar zou zijn.
De betogen slagen niet.
Overlast bouwfase
17.     De vereniging betoogt dat ten onrechte niet in het plan is geborgd dat geluidshinder tijdens de bouwfase moet worden voorkomen.
17.1.  Het bestemmingsplan betreft de vaststelling van een ruimtelijke keuze. Wat de vereniging heeft aangevoerd over overlast tijdens de bouwwerkzaamheden heeft geen betrekking op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3124, onder 7.2), maken uitvoeringsaspecten geen onderdeel uit van het besluitvormingsproces over de ruimtelijke keuze en hoeven deze daarom niet te worden betrokken bij de vaststelling van het plan. Ze zijn bij de beoordeling van het besluit tot het vaststellen van het bestemmingsplan dan ook niet onderwerp van toetsing door de Afdeling. De Afdeling ziet in wat de vereniging naar voren heeft gebracht over de gevolgen van de bouwwerkzaamheden geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om tot een andere conclusie te komen.
Het beroep van Business Platform Teylingen
Ontsluiting Nieuw Boekhorst met de bestaande dorpskern
18.     Business Platform Teylingen, die onder meer het bevorderen van een goed ondernemersklimaat in de gemeente Teylingen tot doel heeft,   betoogt dat ten onrechte niet voor een alternatieve ontsluiting is gekozen, en dat de door haar aangedragen alternatieven niet voldoende zijn meegewogen. Voor ondernemers en detaillisten van de dorpskern Voorhout is het van belang dat er een definitieve doorkoppeling voor autoverkeer vanuit Nieuw Boekhorst met de bestaande kern wordt gerealiseerd. Business Platform Teylingen heeft twee mogelijkheden aangedragen voor de toekomstige koppeling: doorkoppeling vanuit Schoonoord naar de 'Laan Buitenrand' langs de Leidsevaart (nu beoogd als calamiteitendoorsteek en fietsverbinding). Een tweede optie is in het verlengde van de Boekhorstlaan een aansluiting maken op de Boekenburglaan en de interne hoofdlus van de nieuwe woonwijk. In de "Gebieds- en beeldkwaliteitsvisie, Nieuw Boekhorst" is op pagina 74 ook een mogelijke doorkoppeling naar de bestaande wijk opgenomen. Business Platform Teylingen wijst er ook op dat bewoners van de wijk Nieuw Boekhorst zullen moeten omrijden om met de auto in de kern van Voorhout te komen.
18.1.  De raad stelt dat hij de alternatieven heeft afgewogen en de gekozen ontsluiting voldoende heeft onderbouwd. Voor de ontsluiting van de wijk Nieuw Boekhorst heeft de raad in het plan uit een oogpunt van verkeersveiligheid, verkeersafwikkeling en kosten gekozen voor een verkeersstructuur bestaande uit langzaamverkeersroutes (fietsverbindingen), een interne ontsluitingslus voor de auto en één auto-ontsluiting op de provinciale Noordelijke Randweg via een rotonde. Vanaf deze rotonde kan het autoverkeer zich verder in de wijk verspreiden. Hierbij is het doel de wijk zodanig in te richten dat met de auto weliswaar alle locaties goed bereikbaar zullen zijn, maar dat de auto niet voor alle verplaatsingen de snelste verbinding is. Het is een doelbewuste keuze van de gemeente Teylingen om op deze wijze het gebruik van fiets en openbaar vervoer te bevorderen. Onderdeel van deze keuze is ook dat er aan de zuidzijde van het plangebied geen verbinding voor de auto komt tussen Nieuw Boekhorst en de bestaande woonkern van Voorhout. Dit is ook toegelicht in de plantoelichting.
Aan de keuze voor een enkele auto-ontsluiting ligt volgens de raad eerder onderzoek en consistente besluitvorming van de raad ten grondslag, die teruggaat naar 1997, 2008, 2010 en 2021. Hieruit blijkt volgens de raad dat een autoverbinding naar het bestaande dorp niet wenselijk is, en zelfs als verkeersonveilig wordt gezien gelet op de verkeersintensiteiten. De raad verwijst verder naar de memo "reactie op beroep bestemmingsplan Chw Nieuw-Boekhorst" van team WMEE cluster mobiliteit van 28 september 2025, waarin is toegelicht hoe tot de besluitvorming over de wijze van ontsluiting van Nieuw Boekhorst is gekomen en waarom een doorsteek tussen Nieuw Boekhorst en Voorhout-Dorp onwenselijk is. De raad stelt dat hij een afweging heeft gemaakt van de belangen en daarbij tot de conclusie is gekomen dat de eventuele voordelen van de door Business Platform Teylingen genoemde alternatieven niet opwegen tegen de nadelen daarvan.
Een extra ontsluitingsweg zal leiden tot een verkeerstoename in het centrum. Deze verkeerstoename is volgens de raad onwenselijk en doet afbreuk aan de investering voor de aanleg van de randwegstructuur die is gericht op het bieden van een volwaardige ontsluitingsstructuur en het verluwen van het centrum. Ook zal een nieuwe verbinding leiden tot doorgaande verkeerstromen in de omliggende wijken, terwijl deze straten nadrukkelijk een verblijfsfunctie hebben en geen functie voor doorgaand verkeer. Dit betekent volgens de raad dat de doorgaande verkeersstroom die zou ontstaan ten koste zal gaan van de leefbaarheid en verkeersveiligheid in de woonwijken.
18.2.  De raad heeft uitgebreid toegelicht waarom is gekozen voor één auto-ontsluiting op de provinciale Noordelijke Randweg. Onder meer vanwege de verkeersveiligheid is een auto-ontsluiting aan de zuidzijde volgens de raad ongewenst. Er is gekozen voor een randwegstructuur rondom Voorhout, en minder verkeer in het centrum en de woonwijken. De door Business Platform Teylingen aangedragen alternatieven zijn afgewogen, maar de raad vond de voordelen van deze alternatieven niet opwegen tegen de nadelen ervan.
Op de zitting heeft de raad verder toegelicht dat het een bewuste keuze is dat bewoners van de voorziene wijk wat zullen moeten omrijden met de auto. Op deze manier wil de raad het gebruik van langzaam verkeer (fietsen en lopen) naar het centrum aanmoedigen en het gebruik van de auto naar het centrum ontmoedigen. De verkeersstructuur is gericht op langzaam verkeer. Ook heeft de raad erop gewezen dat de fysieke ruimte voor een doorkoppeling er wel is, dus dat een eventuele doorkoppeling in de toekomst wel mogelijk is als dat toch noodzakelijk of gewenst mocht blijken te zijn.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad voldoende onderbouwd dat de alternatieven zijn meegewogen, en waarom de keuze is gevallen op de variant met één auto-ontsluiting aan de noordzijde van de voorziene wijk.
Het betoog slaagt niet.
Uniforme openbare voorbereidingsprocedure
19.     Business Platform Teylingen betoogt dat de raad voor de vaststelling van het besluit van 14 november 2024 opnieuw de uniforme openbare voorbereidingsprocedure had moeten doorlopen. De voorwaardelijke verplichting voor een groenvoorziening in artikel 13.1 is namelijk gewijzigd. De wijziging houdt in dat het moment van vergunningverlening niet meer leidend is, maar de ingebruikname van de gronden en bouwwerken. Ook is het nieuwe artikel geen voorwaardelijke verplichting maar een onvoorwaardelijke.
19.1.  Afdeling 3.4 van de Awb is bij het opnieuw en gewijzigd vaststellen van het plan bij besluit van 14 november 2024 niet opnieuw gevolgd. De raad heeft geen nieuw ontwerpbesluit ter inzage gelegd en is teruggevallen op de voorbereidingsprocedure die ten grondslag is gelegd aan het besluit van 1 februari 2024.
Naar het oordeel van de Afdeling hoefde de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw toegepast te worden op het herstelbesluit, omdat geen sprake is van een wezenlijk ander plan of van niet-ondergeschikte wijzigingen. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt. Naar aanleiding van enkele beroepsgronden van andere appellanten heeft de raad een aantal wijzigingen aangebracht aan het plan. De wijzigingen betreffen in het bijzonder verduidelijkingen van de planregels, waaronder de door Business Platform Teylingen genoemde aanpassing van de voorwaardelijke verplichting met betrekking tot de groenvoorziening. Het plan maakt nog steeds de bouw van een woonwijk met 1.300 woningen op dezelfde locatie mogelijk en bevat daarvoor geen  ander planologisch kader. Ook de verhouding tussen wonen, groen en water blijft gelijk.
Het betoog slaagt niet.
Groenvoorzieningen
20.     Business Platform Teylingen betoogt dat de in artikel 13.1 van de planregels voorgeschreven hoeveelheid groen niet kan worden gegarandeerd. Ook is het onduidelijk hoe er gehandhaafd kan worden. Het is volgens Business Platform Teylingen onwaarschijnlijk dat de gemeente gaat handhaven tegen zichzelf, terwijl het groen in eigendom is van de gemeente.
20.1.  Artikel 8:69a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."
20.2.  Uit de statuten van Business Platform Teylingen blijkt dat zij als doelstelling heeft het bevorderen van een goed ondernemingsklimaat in de gemeente Teylingen. De betrokken ondernemingen bevinden zich niet in het plangebied. De groenvoorziening in het plangebied is niet relevant voor het ondernemersklimaat in Teylingen. Naar het oordeel van de Afdeling strekt artikel 13.2.2 van de planregels niet ter bescherming van de collectieve belangen die Business Platform Teylingen behartigt. De Afdeling zal deze beroepsgrond gelet op het relativiteitsvereiste zoals vastgelegd in artikel 8:69a van de Awb daarom niet inhoudelijk bespreken.
Conclusie
21.     Naar aanleiding van de beroepsgronden van [appellant sub 1] en anderen, [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4] en de vereniging heeft de raad het besluit van 1 februari 2024 aangepast. De raad heeft erkend dat dit besluit gebreken bevatte. De beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4] en de vereniging tegen het besluit van 1 februari 2024 zijn gelet hierop gegrond.
22.     De beroepsgrond van Business Platform Teylingen tegen het besluit van 1 februari 2024 ging over de ontsluitingsalternatieven. Deze beroepsgrond slaagt niet en staat los van de wijzigingen die zijn aangebracht in het herstelbesluit. Het beroep van Business Platform Teylingen tegen het besluit van 1 februari 2024 is daarom ongegrond.
23.     De beroepen tegen het herstelbesluit zijn ongegrond.
24.     De raad moet de proceskosten van [appellant sub 1] en anderen, [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4] en de vereniging vergoeden nu met het herstelbesluit aan hun beroepen tegemoet is gekomen. De raad hoeft geen proceskosten van Business Platform Teylingen te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het beroep van Business Platform Teylingen tegen het besluit van de raad van de gemeente Teylingen tot vaststelling van het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Nieuw Boekhorst, Voorhout" van 1 februari 2024 ongegrond;
II.       verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] en Vereniging De natuurlijke Boekhorstpolder tegen het besluit van de raad van de gemeente Teylingen tot vaststelling van het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Nieuw Boekhorst, Voorhout" van 1 februari 2024 gegrond;
III.      vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Teylingen tot vaststelling van het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Nieuw Boekhorst, Voorhout" van 1 februari 2024;
IV.      verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], Vereniging De natuurlijke Boekhorstpolder en Business Platform Teylingen tegen het besluit van de raad van de gemeente Teylingen tot vaststelling van het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Nieuw Boekhorst, Voorhout" van 14 november 2024 ongegrond;
V.       veroordeelt de raad van de gemeente Teylingen tot vergoeding van bij:
- [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarbij geldt dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan,
- [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarbij geldt dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI.      gelast dat de raad van de gemeente Teylingen aan:
- [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 187, waarbij per partij geldt dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan,
- Vereniging De natuurlijke Boekhorstpolder het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 371 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. van der Kolk, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen
voorzitter
w.g. Van der Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
944