202405425/1/A2.
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Hardinxveld-Giessendam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2024 in zaak nr. 24/5244 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam.
Procesverloop
Bij besluit van 8 januari 2024 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 9 april 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. T.J.M. Wüst en S. Hartman, is verschenen.
Overwegingen
1. [appellant] is per 12 januari 2022 een tijdelijke huurovereenkomst aangegaan voor de woning aan de [locatie] in Hardinxveld-Giessendam. De huurovereenkomst is per 11 januari 2024 geëindigd. [appellant] heeft op 30 oktober 2023 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring.
2. Het college heeft de afwijzing van de aanvraag in het besluit van 9 april 2024 gehandhaafd onder verwijzing naar artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Urgentieverordening Regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden gemeente Hardinxveld-Giessendam (hierna: de Verordening), omdat de noodzaak van [appellant] om te verhuizen voorzienbaar was en veroorzaakt door eigen handelen. Toen [appellant] de huurovereenkomst aanging, had zij kunnen weten dat er na twee jaar een woonprobleem zou ontstaan. Het college heeft geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen, omdat het algemeen belang van een rechtvaardigde woonruimteverdeling zwaarder weegt dan het belang van [appellant] om op de door haar gewenste wijze vorm te geven aan haar woonsituatie. Het college heeft daarbij in aanmerking genomen dat [appellant] zich pas in oktober 2023 heeft ingeschreven en pas sinds december 2023 zelf actief is gaan zoeken. De rechtbank heeft dit betoog gevolgd.
3. [appellant] betwist in hoger beroep niet het oordeel van de rechtbank dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij niet voldoet aan de voorwaarden in de Verordening om haar urgent te verklaren, omdat de noodsituatie waarin zij verkeert voor haar voorzienbaar was en niet buiten haar schuld is ontstaan.
Zij voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niettemin toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule. Met haar overweging dat het college in redelijkheid de hardheidsclausule niet heeft hoeven toepassen, omdat [appellant] niet aan de voorwaarden van de Verordening voldoet, heeft de rechtbank de hardheidsclausule volgens [appellant] tot een dode letter gemaakt. De hardheidsclausule is immers bedoeld voor wie niet aan die voorwaarden voldoet en voor wie dat onevenredige en onbillijke gevolgen heeft, zoals in haar geval. Zij stelt met haar moeder en dochter dakloos te zijn geworden en zij woont in een auto. Volgens haar mag dan niet worden meegewogen hoe die gevolgen zijn ontstaan.
4. Dit betoog slaagt niet. Met het betoog dat de rechtbank de hardheidsclausule tot een dode letter heeft gemaakt, gaat [appellant] eraan voorbij dat de rechtbank bij haar conclusie dat het college in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien voor toepassing van de hardheidsclausule, niet uitsluitend in aanmerking heeft genomen dat [appellant] niet voldoet aan de voorwaarde om urgent te worden verklaard, genoemd in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Verordening, namelijk dat de noodsituatie is ontstaan buiten eigen schuld en door de woningzoekende niet was te voorzien. De rechtbank heeft ook terecht overwogen dat het college bij zijn afweging heeft betrokken dat [appellant] niet alles op alles heeft gezet om vervangende woonruimte te vinden, dat het aan haar is om zich met haar minderjarig kind te melden voor opvang, wat zij niet heeft gedaan, en dat zij ten slotte veel heeft gezocht op huurwoningen in de prijsklasse tussen € 1.000,00 en € 1.250,00 zodat zij geacht kan worden in staat te zijn - al dan niet in de regio - vervangende (tijdelijke) woonruimte te krijgen. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college, anders dan [appellant] betoogt, terecht in aanmerking heeft genomen hoe de dakloosheid is ontstaan. Het college moet immers bij afweging of aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule alle omstandigheden van het geval betrekken. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het bij de besluitvorming ook heeft meegewogen dat de overige woningzoekenden op de wachtlijst bij verlenen van een urgentieverklaring aan [appellant] nog langer op een woning moeten wachten.
5. Het hoger beroep slaagt niet. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
488-1177