ECLI:NL:RVS:2025:5969

Raad van State

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
202407587/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing urgentieverklaring door college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellante] tegen de afwijzing van haar aanvraag om een urgentieverklaring door het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal. De aanvraag werd afgewezen op 12 juli 2023, omdat [appellante] ten tijde van de aanvraag niet minimaal twee jaar inwoner was van een van de gemeenten in de regio Zuid-Kennemerland. [appellante] heeft drie minderjarige kinderen en verbleef van 2017 tot 2022 in het buitenland. Na haar terugkeer in Nederland in 2022 zijn de kinderen onder toezicht gesteld en verbleven bij hun oma in Heemstede. In 2022 heeft [appellante] zich ingeschreven in Heemstede en later in Apeldoorn. In november 2022 vertrok zij met de kinderen naar Portugal, maar vanwege de ondertoezichtstelling moesten de kinderen terugkeren naar Nederland. Op 7 februari 2023 heeft [appellante] zich opnieuw ingeschreven in Bloemendaal en op 29 mei 2023 de aanvraag om urgentieverklaring ingediend, omdat zij geen passende woning had. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat [appellante] niet voldeed aan de vereisten van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Bloemendaal 2022. Het college zag geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule, omdat [appellante] niet aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een uitzonderlijke situatie. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard, waarop zij hoger beroep heeft ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak behandeld op 30 oktober 2025 en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, waarbij het hoger beroep van [appellante] niet slaagt. De Afdeling oordeelt dat de rechtbank gemotiveerd is ingegaan op de gronden van [appellante] en dat deze gronden niet tot een andere uitkomst leiden.

Uitspraak

202407587/1/A2.
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], domicilie kiezend in [plaats],
appellante,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Noord­Holland van 22 oktober 2024 in zaak nr. 24/184 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal.
Procesverloop
Bij besluit van 12 juli 2023 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 27 november 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 22 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C. Schol en A. Yüksel-Köycü, is verschenen.
Overwegingen
1.       [appellante] heeft drie minderjarige kinderen, geboren in 2012, 2014 en 2017. Zij verbleef blijkens de basisregistratie personen van 2017 tot 2022 in het buitenland. Bij terugkomst naar Nederland in 2022 zijn de kinderen onder toezicht gesteld. Zij verbleven dat jaar bij hun oma in Heemstede. In 2022 heeft [appellante] ingeschreven gestaan en gewoond in Heemstede, gemeente Bloemendaal, en vanaf 1 september 2022 in Apeldoorn. In november 2022 is [appellante] met de kinderen naar Portugal vertrokken, maar de kinderen moesten vanwege de ondertoezichtstelling terugkeren naar Nederland.
Op 7 februari 2023 heeft [appellante] zich ingeschreven in de gemeente Bloemendaal. Op 29 mei 2023 heeft [appellante] de aanvraag om urgentieverklaring ingediend, omdat zij geen passende woning voor zichzelf en de kinderen had, maar op diverse adressen verbleef. Ten tijde van de zitting bij de rechtbank was [appellante] gedetineerd en verbleven de kinderen bij hun oma.
2.       Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat [appellante] niet voldoet aan de criteria van artikel 2.3.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Bloemendaal 2022 (hierna: de Verordening). [appellante] was namelijk ten tijde van de aanvraag nog niet minimaal twee jaar inwoner van een van de gemeenten in de regio Zuid-Kennemerland. Voor toepassing van de hardheidsclausule bedoeld in artikel 4.2.2 heeft het college geen aanleiding gezien. [appellante] heeft namelijk niet met stukken aannemelijk gemaakt dat sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij overduidelijk is dat toewijzing van zelfstandige woonruimte op een zo kort mogelijke termijn dient plaats te vinden, omdat het langer laten voortduren van de bestaande situatie om medische, psychosociale of maatschappelijke redenen onverantwoord is.
3.       De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 3.4 en 4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan toe dat de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328, onder 3.2.3, alleen al niet slaagt, omdat de kinderen van [appellante], anders dan de situatie was in dat arrest, niet op straat zijn gezet en ook niet met hun moeder worden uitgezet.
4.       Het hoger beroep slaagt niet. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
488-1177