202302311/1/A3.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2023 in zaak nr. 21/6958 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 11 mei 2021 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het plaatsen van een zomer- en winterterras aan de [locatie A] in Den Haag.
Bij besluit van 22 september 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 februari 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 augustus 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. C. Lubben, advocaat te Zoetermeer, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.P. van Lith, zijn verschenen. Voorts is op de zitting [vergunninghouder] gehoord.
Overwegingen
Toepasselijke regelgeving
1. De voor deze zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
2. Het college heeft aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor een zomer- en winterterras aan de [locatie A], waar op de begane grond verdieping van het hier gelegen pand de ijssalon "Bitterkoud koffie & ijs" is gevestigd. [appellant] woont boven de horeca-inrichting en stelt overlast te ondervinden van het terras.
3. Het college heeft bij besluit van 11 mei 2021 aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor een gevelterras, zoals bedoeld in artikel 1.1, onder a, onder 2, van de APV. De wegbeheerder en de Adviescommissie Openbare Ruimte (hierna: ACOR) hebben positief geadviseerd. Het college heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3869, op het standpunt gesteld dat de terrasvergunning alleen kan worden geweigerd als er strijd is met de weigeringsgronden uit artikel 2:10, derde lid, van de APV. Omdat de bezwaren die [appellant] heeft aangevoerd niet zien op de weigeringsgronden, heeft het college het bezwaar bij het besluit van 22 september 2021 kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het college in zijn standpunt gevolgd. Hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het bezwaar kennelijk ongegrond mocht verklaren. Het college had hem in bezwaar moeten horen. Ter onderbouwing van het belang te worden gehoord over zijn bezwaar wijst hij op zijn inhoudelijke gronden die, zo stelt hij, de noodzaak daartoe bevestigen. In de eerste plaats voert hij aan dat de aanvraag van een vergunning niet alleen geweigerd kan worden op grond van de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 2:10, derde lid, van de APV, maar dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgens hem volgt dat de vergunning ook kan worden geweigerd als de aanvrager van de vergunning geen belanghebbende is. Als voorbeeld wijst hij op de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2717. Volgens [appellant] had het college de vergunning moeten weigeren, omdat Bitterkoud geen belanghebbende is. Het college mocht om die reden het bezwaar niet ongegrond verklaren zonder hem als omwonende hierover te horen. In de tweede plaats voert [appellant] aan dat het college hem wel heeft gehoord in het kader van het door hem gemaakte bezwaar tegen een vergunning van een tijdelijk parkeerplaatsterras van dezelfde vergunninghouder. Door hem in deze procedure niet te horen, heeft het college in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank is ook hier ten onrechte aan voorbij gegaan.
Voorts stelt hij dat ook zijn betoog dat het besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel ten onrechte is gepasseerd. Volgens [appellant] heeft het college ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de te verwachte hinder. Bovendien had het college de vergunning volgens [appellant] moeten weigeren, omdat het terras niet past in het uiterlijk aanzien van dit deel van de gemeente. Verder is het vijfde voorschrift van de vergunning volgens [appellant] onvoldoende concreet, omdat uit dat voorschrift niet duidelijk blijkt wanneer het gaat om hinder voor de omgeving. Hierdoor is het voorschrift lastig om te handhaven. De rechtbank is ten onrechte ook aan deze betogen voorbijgegaan, aldus [appellant].
Beoordeling
5. De Afdeling is van oordeel dat [vergunninghouder] belanghebbende is. Anders dan de in de door [appellant] aangehaalde uitspraak is niet gebleken dat in dit geval de eigenaar van het pand geen toestemming heeft gegeven voor het aanvragen van de vergunning. Alleen al hierom slaagt het betoog van [appellant] over belang niet. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:534, overweegt de Afdeling dat het college het bezwaar van [appellant] ongegrond mocht verklaren zonder hem te horen. Het betoog van [appellant] over stemgeluid valt immers buiten de hinder waaraan het college toetst op grond van de APV. De rechtbank is terecht tot haar conclusie gekomen. Dat [appellant] in een eerdere procedure wel is gehoord door het college, maakt dat niet anders. Het gaat immers om de weging van de zaak op dat moment. Bovendien ging het in de procedure waarnaar hij verwijst om een andere vergunning. Verder is de Afdeling van oordeel dat het college voldoende onderzoek heeft gedaan naar de te verwachte hinder, omdat het de gemotiveerde adviezen van de wegbeheerder en de Adviescommissie Openbare Ruimte ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluit.
Gelet op de aard en de strekking van de vergunning is het bovendien duidelijk dat de hinder, zoals genoemd in het vijfde voorschrift van de vergunning, ziet op hinder op de weg zoals hiervoor toegelicht.
Dat wat [appellant] verder heeft aangevoerd in de procedure leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak of het doel dat hij daarmee wil bereiken.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bossmann
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025
314-1146
BIJLAGE
Algemene plaatselijke verordening Den Haag
Artikel 1:1
a. Weg
[…]
2. de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen.
[…]
Artikel 2:10
1. Het is verboden zonder vergunning of instemming van het college van burgemeester en wethouders een voorwerp op, in, over of boven de weg te plaatsen, aan te brengen of te hebben, of de weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
2. Dit verbod is niet van toepassing op:
[…]
f. terrassen, met uitzondering van terrassen in de Frederik Hendriklaan, de Wagenstraat en de Stationsweg, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
[…]
5. Het terras voldoet aan de richtlijnen die door burgemeester en wethouders bij nader besluit zijn vastgesteld.
3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd, indien tegen de verlening daarvan overwegend bezwaar bestaat uit een oogpunt van:
- doelmatig beheer en onderhoud van de weg, daaronder mede begrepen de bescherming van de belangen van het rij- en voetgangersverkeer en de verdeling van gebruiksmogelijkheden van de weg;
- bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, tenzij het betreffende voorwerp op grond van de Woningwet dient te worden getoetst aan de redelijke eisen van welstand;
- schade die door het gebruik aan de weg wordt toegebracht, of;
- te verwachten hinder voor de omgeving als gevolg van het gebruik van de weg ten behoeve waarvan de vergunning wordt gevraagd, tenzij daarop regels bij of krachtens de Wet milieubeheer of het bepaalde in de artikelen 2:27 t/m 2:29 en artikel 4:6 van toepassing is.