ECLI:NL:RVS:2025:5846

Raad van State

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
202505172/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herbeoordeling van de beslissing tot herhaling van het coschap Inwendige Geneeskunde aan een geneeskundestudent

In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 3 december 2025 uitspraak gedaan over het beroep van [appellante], een geneeskundestudent aan het Erasmus MC, tegen de beslissing van de examencommissie om haar het coschap Inwendige Geneeskunde opnieuw te laten volgen. De examencommissie had deze beslissing genomen op basis van meldingen van de Commissie Longitudinale Beoordeling Professionaliteit (CLBP) die zorg uitten over de medisch inhoudelijke kennis van [appellante].

De examencommissie oordeelde dat [appellante] niet voldeed aan de vereiste kennis en dat zij het coschap opnieuw moest volgen om haar kennis op peil te brengen. [appellante] ging in beroep tegen deze beslissing, maar het college van beroep voor de examens (CBE) verklaarde haar beroep ongegrond. Hierop heeft [appellante] beroep ingesteld bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de beslissing van het CBE onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De Afdeling constateerde dat er in werkelijkheid slechts één zorgmelding was gedaan, in plaats van twee zoals in de beslissing van de examencommissie werd gesteld. Ook werd vastgesteld dat [appellante] had voldaan aan de voorwaarden voor begeleiding door een studieadviseur, wat niet in overeenstemming was met de conclusie van het CBE.

De Raad van State heeft de beslissing van het CBE vernietigd en de examencommissie opgedragen om binnen vier weken een nieuwe beslissing te nemen, rekening houdend met de overwegingen in deze uitspraak. Tevens is het CBE veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [appellante].

Uitspraak

202505172/1/A2.
Datum uitspraak: 3 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van de Erasmus Universiteit Rotterdam (hierna: het CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 7 april 2025 heeft de examencommissie van het Erasmus MC (hierna: de examencommissie) aan [appellante] meegedeeld dat zij het coschap Inwendige Geneeskunde opnieuw moet volgen.
Bij beslissing van 5 augustus 2025 heeft het CBE het daartegen gerichte administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 november 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag en het CBE, vertegenwoordigd door G.J. Spaans, Q.C.P. Sebrechts, S.J.C.M.M. Neggers en P.M.J. Kalkman, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellante] staat sinds het studiejaar 2024-2025 ingeschreven voor de masteropleiding Geneeskunde (hierna: de opleiding) aan het Erasmus MC. Bij beslissing van 7 april 2025 is haar meegedeeld dat zij het coschap Inwendige Geneeskunde opnieuw moet volgen. Aan deze beslissing heeft de examencommissie ten grondslag gelegd dat op basis van meldingen van de Commissie Longitudinale Beoordeling Professionaliteit (hierna: de CLBP) en de besliscommissie een gesprek heeft plaatsgevonden. De meldingen betroffen een reden tot zorg op het gebied van medisch inhoudelijke kennis bij het coschap Inwendige Geneeskunde. Volgens de examencommissie moet het coschap opnieuw gevolgd worden om de medisch inhoudelijke kennis van [appellante] op niveau te krijgen.
1.1.    [appellante] heeft administratief beroep ingesteld tegen deze beslissing. Het CBE heeft [appellante] niet gevolgd in haar standpunt dat de examencommissie geen rekening heeft gehouden met haar persoonlijke omstandigheden. Zo is zij toegelaten tot andere coschappen en werd er een inhaalcoschap Interne Geneeskunde voor haar geregeld, hoewel zij een besluit type 3 van de examencommissie had ontvangen. Verder heeft het CBE overwogen dat de beoordeling van zowel de coschapbeoordelaar als de begeleider uitgebreid zijn en met [appellante] zijn gedeeld. Daaruit blijkt dat de medisch inhoudelijke kennis van [appellante] niet op niveau is. Zij heeft aangegeven dat zij openstaat voor herhaalcoschappen als dit nodig zou zijn. Het CBE is tot de conclusie gekomen dat de examencommissie in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat [appellante] het inhaalcoschap moet volgen.
1.2.    [appellante] is het niet eens met de beslissing van het CBE. Zij heeft daarom tegen de beslissing van 5 augustus 2025 beroep ingesteld bij de Afdeling.
Oordeel van de Afdeling
2.       De beslissing van 7 april 2025 is onder meer gebaseerd op een door de examencommissie en het CBE als besluit type 2 aangeduide voortgangsbeslissing. Die beslissing houdt een voortgang met aanvullende voorwaarden in. Volgens de beslissing zijn er twee zorgmeldingen gedaan. De zorgmeldingen en de reflectie van [appellante] daarop moeten door de CLBP worden beoordeeld. Als de CLBP een positief advies geeft, is voldaan aan de voorwaarde. De CLBP heeft na haar beoordeling [appellante] verplichte begeleiding door een studieadviseur opgelegd. De beoordeling van de zorg met betrekking tot medische kennis is doorverwezen naar de besliscommissie. De besliscommissie heeft op haar beurt op 31 maart 2025 een nieuw besluit genomen, te weten een type 3 besluit. Dit besluit houdt in dat [appellante] niet heeft voldaan aan de voorwaarde uit het besluit type 2. Volgens het besluit type 3 is daarom geen voortgang mogelijk tot er wordt voldaan aan de voorwaarde dat de examencommissie een positief oordeel geeft aan de besliscommissie.  De besliscommissie heeft de zaak doorverwezen naar de examencommissie. Vervolgens heeft de examencommissie de bestreden beslissing van 7 april 2025 genomen. Die beslissing houdt in dat [appellante] het coschap Inwendige Geneeskunde opnieuw moet volgen.
3.       [appellante] betoogt dat de beslissing van het CBE onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Dat de beoordeling van zowel de coschapbeoordelaar als de begeleider uitgebreid zijn en dat daaruit volgt dat haar medisch inhoudelijke kennis niet op niveau is, klopt volgens [appellante] niet. Er was sprake van slechts één zorgmelding. De andere zorgmelding is volgens [appellante] ingetrokken. [appellante] voert in dit verband verder aan dat zij heeft voldaan aan de voorwaarde die de CLBP heeft gesteld, namelijk de voorwaarde dat zij verplicht wordt begeleid door een studieadviseur.
3.1.    Het betoog van [appellante] dat de beslissing van het CBE van 5 augustus 2025 en de beslissing van de examencommissie van 7 april 2025 onzorgvuldig zijn voorbereid en onvoldoende deugdelijk zijn gemotiveerd, slaagt. Ten eerste is uit de stukken in het dossier en uit wat partijen op de zitting hebben verklaard duidelijk geworden dat het, anders dan vermeld in het besluit van 7 april 2025, niet gaat om twee zorgmeldingen maar om één zorgmelding. Hoewel het CBE in zijn beslissing van 5 augustus 2025 uitgaat van slechts één melding, heeft het niet inzichtelijk gemaakt hoe deze onzorgvuldigheid in de beslissing is meegenomen. Ten tweede is op de zitting door partijen bevestigd dat [appellante] heeft voldaan aan de voorwaarde over de verplichte begeleiding door een studieadviseur die in het besluit type 2 is opgenomen. Dit verhoudt zich niet met de conclusie in het besluit type 3 dat [appellante] niet heeft voldaan aan de voorwaarde uit het besluit type 2. Ten slotte is van belang dat het CBE in zijn beslissing van 5 augustus 2025 en op de zitting bij de Afdeling heeft verwezen naar een aantal stukken, zoals het reflectieverslag van [appellante], de zorgmelding en de beoordelingen van de coschapsbeoordelaar en de begeleider. Deze stukken bevinden zich echter niet in het dossier.
3.2.    De conclusie is dat het CBE niet heeft onderkend dat de beslissing van 7 april 2025 op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. Het betoog van [appellante] slaagt. De overige gronden in beroep behoeven dan ook geen bespreking.
Conclusie
4.       De Afdeling zal de beslissing van het CBE van 5 augustus 2025 vernietigen, het administratief beroep gegrond verklaren en de beslissing van de examencommissie van 7 april 2025 vernietigen. De Afdeling draagt de examencommissie op om binnen een nader te stellen termijn een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.
5.       Het CBE moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het beroep gegrond;
II.       vernietigt de beslissing van het college van beroep voor de examens van de Erasmus Universiteit Rotterdam van 5 augustus 2025 met kenmerk CBE/0035293;
III.      verklaart het administratief beroep gegrond;
IV.      vernietigt de beslissing van de examencommissie van het Erasmus MC van 7 april 2025 met kenmerk EC\424933;
V.       draagt de examencommissie van het Erasmus MC op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing te nemen;
VI.      veroordeelt het college van beroep voor de examens van de Erasmus Universiteit Rotterdam tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VII.     gelast dat het college van beroep voor de examens van de Erasmus Universiteit Rotterdam aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 53,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter
w.g. Yildiz
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025
594