ECLI:NL:RVS:2025:5836
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verwijdering student wegens vermeende fraude met stagepraktijk onterecht
De appellant was student aan de opleiding Maatschappelijke Zorg niveau 4 aan het MBO Amersfoort en moest een stage lopen bij een leerbedrijf. Hij gaf een non-profit organisatie en een contactpersoon op, maar het leerbedrijf verklaarde dat hij daar geen stage liep en de contactpersoon niet in dienst was. Hierdoor ontstond het vermoeden van fraude.
De onderwijsinstelling schorste de appellant en vier andere studenten. Omdat de appellant bleef volhouden onschuldig te zijn, geen berouw toonde en eerder was geschorst, besloot de directeur hem te verwijderen van de opleiding. Het College van Bestuur handhaafde deze beslissing bij bezwaar.
De Raad van State oordeelde dat hoewel de appellant erkende geen stage te hebben gelopen, het College onvoldoende had aangetoond dat zijn gedrag de orde, rust of veiligheid van de instelling ernstig had bedreigd zoals vereist volgens artikel 8.1.7d van de Wet educatie en beroepsonderwijs (Web). Tevens was de bevoegdheid tot het constateren van fraude en het opleggen van maatregelen toegekend aan de examencommissie en niet aan het College van Bestuur, wat in deze zaak niet juist was toegepast.
Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de verwijderingsbeslissing vernietigd en het College van Bestuur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De verwijderingsbeslissing van de student wordt vernietigd en het College van Bestuur moet proceskosten vergoeden.