Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:5689

Raad van State

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
202505480/2/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVGArt. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake inzage persoonsgegevens

Het college van burgemeester en wethouders van Oirschot verstrekte aan verzoekster een overzicht van 391 stukken met persoonsgegevens op grond van een inzageverzoek volgens artikel 15 van Pro de AVG. Verzoekster stelde dat dit overzicht niet volledig was en vorderde volledige inzage, inclusief gegevens bij ketenpartners.

Na bezwaar en beroep bij de rechtbank, die het verzoek ongegrond verklaarde, richtte verzoekster zich tot de Raad van State met een verzoek om een voorlopige voorziening om binnen vier weken alsnog volledige inzage te verkrijgen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vraag over de volledigheid van inzage niet geschikt is voor een voorlopige voorziening en dat verzoekster onvoldoende spoedeisend belang heeft aangetoond. Verzoeken om vragen te stellen aan het Hof van Justitie en het EHRM werden eveneens afgewezen.

Het verzoek wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

202505480/2/A3.
Datum uitspraak: 26 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], wonend in Oirschot,
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 8 oktober 2025 in zaak nr. 25/1118 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
het college van burgemeester en wethouders van Oirschot.
Procesverloop
Bij besluit van 8 oktober 2024 heeft het college aan [verzoekster] een overzicht van haar persoonsgegevens verstrekt.
Tegen dat besluit heeft [verzoekster] op 11 november 2024 bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft [verzoekster] op 13 mei 2025 beroep ingesteld vanwege tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college.
Bij besluit van 13 mei 2025 heeft het college het door [verzoekster] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 oktober 2025 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld.
Ook heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
Inleiding
1.       De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
2.       [verzoekster] heeft op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: de AVG) een verzoek ingediend bij het college om inzage in alle gegevens die op haar betrekking hebben. Het college heeft het verzoek van [verzoekster] opgevat als een verzoek om inzage zoals bedoeld in artikel 15 van Pro de AVG en aan [verzoekster] twee overzichten verstrekt van alle correspondentie waarin haar persoonsgegevens zijn verwerkt. In totaal gaat het om 391 (post)stukken.
Voorlopige voorziening
3.       [verzoekster] stelt dat het overzicht niet volledig is en wil met haar verzoek bereiken dat zij binnen vier weken alsnog inzage verkrijgt in al haar persoonsgegevens, inclusief registraties daarvan bij ketenpartners.
3.1.    Het geschil in hoger beroep gaat over de vraag of het college aan [verzoekster] volledige inzage heeft verleend in haar persoonsgegevens. Volgens het college is dat het geval en dat is ook het oordeel van de rechtbank. Het verzoek van [verzoekster] ziet op dezelfde vraag. Deze vraag leent zich niet voor beoordeling in het kader van de voorlopige voorzieningsprocedure. Wat zij heeft aangevoerd ter motivering van de gestelde spoedeisendheid van haar verzoek is gericht op versnelde behandeling van haar hoger beroep. Maar de voorlopige voorzieningenprocedure is niet bedoeld om een versnelde behandeling van het hoger beroep in de hoofdzaak te bewerkstelligen. [verzoekster] heeft bovendien niet voldoende onderbouwd waarom het oordeel hierover van de Afdeling in hoger beroep niet kan worden afgewacht. Dat geldt ook voor haar verzoeken om aan het Hof van Justitie en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens vragen te stellen. Daarom is met het verzoek geen spoedeisend belang gemoeid dat het treffen van de verzochte voorziening rechtvaardigt.
3.2.    Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4.       Het verzoek moet als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.S. Venema, griffier.
w.g. Daalder
voorzieningenrechter
w.g. Venema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025
973