ECLI:NL:RVS:2025:5686

Raad van State

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
BRS.25.001851
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J. Schipper-Spanninga
  • E.E. Pronk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening in vreemdelingenrechtelijke zaak betreffende machtiging tot voorlopig verblijf

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 26 november 2025 uitspraak gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening. De zaak betreft een hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 9 oktober 2025. De rechtbank had eerder de besluiten van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf af te wijzen, vernietigd. De staatssecretaris had deze aanvragen op 18 november 2022 en 7 december 2022 afgewezen, en de daartegen door betrokkene gemaakte bezwaren ongegrond verklaard in besluiten van 20 november 2023 en 27 mei 2024. De rechtbank oordeelde dat de minister binnen zes weken na de uitspraak nieuwe besluiten moest nemen op de bezwaren van betrokkene.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening, zodat de uitspraak van de rechtbank niet uitgevoerd hoeft te worden totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. De voorzieningenrechter heeft, na afweging van de belangen van beide partijen, besloten om de voorlopige voorziening te treffen. Dit houdt in dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank totdat er een beslissing is genomen in het hoger beroep. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitspraak

BRS.25.001851
Datum uitspraak: 26 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 9 oktober 2025 in zaken nrs. NL24.23054 en NL23.39045 in het geding tussen:
[betrokkene], mede voor haar minderjarige kinderen
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluiten van 18 november 2022 en 7 december 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluiten van 20 november 2023 en 27 mei 2024 heeft de staatssecretaris de daartegen door betrokkene gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 oktober 2025 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkene ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na de verzending van de uitspraak met inachtneming ervan nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren neemt.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat zij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op haar hoger beroep heeft beslist.
2.        Gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
voorzieningenrechter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025
1028