Art. 4.6 lid 3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 8:81 Algemene wet bestuursrechtArt. 4 lid 7 Kapverordening Dinkelland 2021
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voorlopige voorziening tegen kap bomen in bestemmingsplan Dinkelland
De raad van de gemeente Dinkelland stelde op 8 juli 2025 het bestemmingsplan 'Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp' vast, dat de verplaatsing van een metaalbewerkingsbedrijf naar een bosperceel mogelijk maakt. Hiervoor moeten bomen worden gekapt. Verzoeker, wonend tegenover het perceel, stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening om de kap te schorsen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het recht van vóór de Omgevingswet van toepassing is omdat het ontwerpplan vóór 1 januari 2024 ter inzage lag. De aanvraag voor een kapvergunning is gedaan op basis van de Kapverordening Dinkelland 2021, die een vergunningplicht stelt voor bomen met een stamomtrek groter dan 1 meter. De vergunning zal pas gebruikt mogen worden als het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Verzoekers argument dat mogelijk zonder vergunning gekapt kan worden vanwege uitzonderingen en kleinere bomen werd verworpen. Er is geen landschappelijk inpassingsplan dat kap toestaat en geen aanwijzingen dat zonder vergunning gekapt zal worden. De voorzieningenrechter wees het verzoek af wegens ontbreken van spoedeisend belang, met de mogelijkheid voor verzoeker om bij nieuwe omstandigheden opnieuw een verzoek in te dienen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de kap van bomen in het bestemmingsplan wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.
Uitspraak
202504936/2/R3.
Datum uitspraak: 19 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in Denekamp, gemeente Dinkelland,
verzoeker,
en
de raad van de gemeente Dinkelland,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 8 juli 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoek Parallelweg en Hanzeweg, Denekamp" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 4 november 2025, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. E.T. de Jong, advocaat in Arnhem, en de raad, vertegenwoordigd door mr. drs. M.Y. Rutjes en H. Rietveld-Abbink, zijn verschenen. Voorts is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. J.K. Smits en [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 29 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
3. Het bestemmingsplan maakt de verplaatsing van een bestaand metaalbewerkingsbedrijf naar een bosperceel aan de rand van een bedrijventerrein (hierna: het perceel) mogelijk. Om de verplaatsing mogelijk te maken, moeten in het plangebied bomen worden gekapt. [partij] is de initiatiefnemer van de in het plan voorziene ontwikkeling. Hij heeft op de zitting toegelicht dat hij een overeenkomst heeft met de huidige eigenaar van het perceel, die ertoe strekt dat hij het perceel koopt zodra het bestemmingsplan onherroepelijk is.
[verzoeker] woont in een bedrijfswoning op het perceel [locatie], tegenover de beoogde nieuwe locatie van het metaalbewerkingsbedrijf. Hij kan zich niet verenigen met het plan, in het bijzonder omdat er volgens hem natuurwaarden verloren gaan door de kap van de bomen.
4. Het verzoek van [verzoeker] strekt ertoe dat het plan geschorst wordt totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak. [verzoeker] stelt dat hij spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening, omdat het op grond van het bestemmingsplan mogelijk is dat wordt gestart met de kap van de bomen. Volgens [verzoeker] is de initiatiefnemer van plan om met de kap van de bomen te starten. Dat blijkt uit het feit dat er een omgevingsvergunning voor de kap van de bomen is aangevraagd.
5. Het verzoek wordt afgewezen, omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat er geen spoedeisend belang is bij de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter licht hieronder toe waarom.
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat voor de vaststelling van het voorliggende plan op het perceel deels het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Denekamp" en deels het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied 2010" gold. Beide voorheen geldende plannen voorzagen in een vergunningplicht voor het verwijderen van bomen en/of houtgewas op het perceel. Het voorliggende plan voorziet alleen op de gronden waaraan de bestemming "Bos" is toegekend in een vergunningplicht voor het verwijderen van bomen en/of houtgewas. Op gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" is op basis van het voorliggende bestemmingsplan voor het verwijderen van bomen en/of houtgewas dus geen omgevingsvergunning nodig. Dat betekent echter niet dat alle bomen op die gronden zonder omgevingsvergunning gekapt kunnen worden. De Kapverordening Dinkelland 2021 (hierna: de kapverordening) bevat namelijk een vergunningplicht voor het kappen van bomen met een stamomtrek groter dan 1 m, gemeten op 1.30 m boven het maaiveld.
6.1. De omgevingsvergunning die voor het kappen van de bomen is aangevraagd, is niet op grond van het voorliggende plan, maar op grond van de kapverordening aangevraagd. De raad heeft toegelicht dat het college, als het de omgevingsvergunning voor de kap van de bomen verleent, aan die omgevingsvergunning de voorwaarde zal verbinden dat deze pas gebruikt mag worden als het voorliggende plan onherroepelijk is. Dat er een omgevingsvergunning voor de kap van de bomen is aangevraagd, leidt daarom niet tot het oordeel dat er een spoedeisend belang is.
7. Op de zitting heeft [verzoeker] aangevoerd dat mogelijk geen omgevingsvergunning op grond van de kapverordening nodig is, omdat de uitzondering van artikel 4, zevende lid, van de kapverordening volgens [verzoeker] van toepassing zou kunnen zijn.
Ook heeft [verzoeker] er op de zitting op gewezen dat op het perceel ook bomen staan die zonder omgevingsvergunning op grond van de kapverordening gekapt mogen worden, omdat de stamomtrek gemeten op 1.30 m boven het maaiveld kleiner is dan 1 m. Volgens [verzoeker] is niet uitgesloten dat de huidige eigenaar van het perceel zal starten met het kappen van die bomen. Daarom is er volgens [verzoeker] toch een spoedeisend belang.
7.1. In artikel 4, zevende lid, van de kapverordening is bepaald dat het verbod op het vellen van houtopstand uit de kapverordening niet geldt voor het vellen of doen vellen van houtopstanden in die gevallen waar in een landschappelijk inpassingsplan, dat onderdeel uitmaakt van een bestemmingsplan, omgevingsplan of voorbereidingsbesluit, staat beschreven dat houtopstanden kunnen worden geveld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze uitzondering in dit geval niet van toepassing, omdat in het "Landschappelijk inrichtingsplan Hanzeweg", dat als bijlage 3 bij het bestemmingsplan is opgenomen, niet staat omschreven dat houtopstanden kunnen worden geveld. Van een landschappelijk inpassingsplan zoals bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de kapverordening is dan ook geen sprake. De raad heeft op de zitting bovendien toegelicht dat hij ook niet heeft beoogd om een landschappelijk inpassingsplan in het bestemmingsplan op te nemen dat voldoet aan artikel 4, zevende lid, van de kapverordening.
Gelet op het voorgaande is voor het kappen van de bomen met een stamomtrek groter dan 1 m, gemeten op 1.30 m boven het maaiveld, dus een omgevingsvergunning op grond van de kapverordening vereist. Zoals hiervoor onder 6.1 is overwogen, zal aan die vergunning de voorwaarde worden verbonden dat deze pas gebruikt mag worden als het voorliggende plan onherroepelijk is. De voorzieningenrechter wijst er bovendien op dat [verzoeker], als hij daartoe aanleiding ziet, ook rechtsmiddelen kan aanwenden tegen deze kapvergunning en om een voorlopige voorziening die betrekking heeft op die kapvergunning kan vragen.
7.2. Voor het kappen van bomen die een stamomtrek hebben die gemeten op 1.30 m boven het maaiveld kleiner dan 1 m is, is geen omgevingsvergunning op grond van de kapverordening vereist. De voorzieningenrechter ziet echter geen aanleiding voor de vrees dat deze bomen al zullen worden gekapt, voordat het bestemmingsplan onherroepelijk is. [partij] heeft op de zitting verklaard dat hij de kap van die bomen niet zal entameren en de voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat de huidige eigenaar van het perceel, die niet de initiatiefnemer van het plan is, hiertoe wel zal overgaan. De voorzieningenrechter ziet in het dossier ook geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat aannemelijk is dat op korte termijn op het perceel zal worden gestart met het kappen van de bomen waarvoor geen kapvergunning vereist is. Bovendien wijst de voorzieningenrechter erop dat [verzoeker] een nieuw verzoek om voorlopige voorziening kan indienen, als er zich nieuwe of andere omstandigheden voordoen die maken dat alsnog een voorlopige voorziening moet worden getroffen, voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op zijn beroep, bijvoorbeeld als toch met de kap van deze bomen wordt gestart.
8. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier.