Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:5629

Raad van State

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
202405379/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Hoekstra
  • A.B. Blomberg
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 Huisvestingswet 2014Art. 14 Huisvestingsverordening Schiermonnikoog 2015Art. 18 Huisvestingsverordening Schiermonnikoog 2015Art. 8:113 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering onttrekkingsvergunning wegens onaanvaardbare inbreuk op woon- en leefmilieu in Schiermonnikoog

Appellant is eigenaar van een perceel met woning aan een locatie op Schiermonnikoog en vroeg in 2018 een vergunning aan om een deel van zijn woning te onttrekken aan de bestemming tot bewoning voor recreatief gebruik. Het college verleende aanvankelijk de vergunning, maar na bezwaar van de naastgelegen eigenaar werd dit besluit herroepen en de vergunning alsnog geweigerd wegens mogelijke onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefmilieu.

De zaak kende meerdere procedures, waaronder een vernietiging door de rechtbank en een opdracht aan het college voor een nieuw besluit. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde in eerdere uitspraken dat het college onvoldoende onderbouwing had gegeven voor de vergunningverlening. Bij het nieuwe besluit van juli 2024 werd de vergunning geweigerd op grond van artikel 18 van Pro de Huisvestingsverordening Schiermonnikoog 2015.

Appellant stelde beroep in tegen deze weigering, maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college terecht heeft geoordeeld dat het recreatief gebruik van het pand een significante impact en overlast zal veroorzaken in een primair woongebied, mede door het aantal personen dat in het recreatieve gedeelte kan verblijven en de directe ligging naast een woonperceel.

Het beroep is ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak bevestigt het belang van bescherming van het woon- en leefmilieu en de zorgvuldige toepassing van de Huisvestingsverordening bij onttrekkingsvergunningen.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de onttrekkingsvergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202405379/1/A2.
Datum uitspraak: 19 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Schiermonnikoog,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Schiermonnikoog,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 9 maart 2018 heeft het college aan [appellant] een vergunning verleend voor het onttrekken van woonruimte aan de bestemming tot bewoning op het perceel [locatie A] in Schiermonnikoog.
Bij besluit van 16 juli 2024 heeft het college opnieuw op het daartegen door [belanghebbende] gemaakte bezwaar beslist, dit bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 9 maart 2018 herroepen en de door [appellant] aangevraagde onttrekkingsvergunning alsnog geweigerd.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld bij de Afdeling.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak, samen met zaken nrs. 202201923/1/R3 en 202405622/1/R3, op een zitting behandeld op 22 september 2025. Voor de in deze uitspraak aan de orde zijnde zaak zijn op zitting verschenen: [appellant], bijgestaan door mr. D. Quakernaat, rechtsbijstandverlener in Leusden, en het college, vertegenwoordigd door mr. I. van der Meer, advocaat in Leeuwarden, en H. de Muinck. Daarnaast is op de zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. E. Erkamp, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, als partij gehoord.
Overwegingen
Wettelijk kader
1.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Voorgeschiedenis
2.       [appellant] is eigenaar van het perceel met woning aan [locatie A] in Schiermonnikoog. [belanghebbende] is eigenaar van het naastgelegen perceel met woning aan [locatie B].
3.       Op 5 januari 2018 heeft [appellant] een vergunning aangevraagd voor het onttrekken van een gedeelte van zijn woning aan de bestemming tot bewoning voor recreatief gebruik. In de aanvraag is rekening gehouden met een uitbreiding van de woning, waarvoor hij op dat moment een omgevingsvergunning had aangevraagd. In de aanvraag om een onttrekkingsvergunning staat dat de vloeroppervlakte voor recreatief gebruik 188 m2 bedraagt en de overblijvende vloeroppervlakte voor permanente bewoning 237 m2.
4.       Bij het besluit van 9 maart 2018 heeft het college op grond van de Huisvestingsverordening Schiermonnikoog 2015 aan [appellant] de aangevraagde onttrekkingsvergunning verleend. Volgens het college leidt de onttrekking niet tot een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu. [belanghebbende] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
5.       Bij besluit van 12 juni 2018 heeft het college [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van zijn woning en het in strijd met het bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" gebruiken van de uitbreiding voor recreatieve doeleinden.
6.       Bij besluit van 11 oktober 2018 heeft het college het bezwaar van [belanghebbende] tegen de onttrekkingsvergunning ongegrond verklaard. [belanghebbende] heeft daartegen beroep ingesteld.
7.       Bij uitspraak van 1 december 2021 heeft de rechtbank Noord-Nederland (zaak nr.18/3661) het beroep van [belanghebbende] gegrond verklaard, het besluit van 11 oktober 2018 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van wat zij in haar uitspraak heeft overwogen. [appellant] heeft daartegen hoger beroep ingesteld.
8.       Bij besluit van 25 april 2023 heeft het college een nieuw besluit genomen ter uitvoering van de door de rechtbank gegeven opdracht.
9.       Bij uitspraak van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4264, heeft de Afdeling in de procedure over de omgevingsvergunning geoordeeld dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat, als gevolg van het vergunde bouwplan, een situatie zal ontstaan die in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling heeft geoordeeld dat, gelet op de ruimtelijke uitstraling van het beoogde recreatief gebruik, waaronder de redelijkerwijs te verwachten geluidbelasting, de omvang van het recreatief gebruik en de locatie en situering waarop met het bouwplan het recreatief gebruik op het perceel is voorzien, het college onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom de gevraagde omgevingsvergunning in dit geval kon worden verleend.
10.     Bij uitspraak van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:273, heeft de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 15 november 2023, geoordeeld dat het college de onttrekkingsvergunning onvoldoende heeft onderbouwd. De Afdeling heeft overwogen dat het college nader zal moeten onderbouwen dat verlening van een onttrekkingsvergunning, eventueel onder daaraan te verbinden voorwaarden, niet zal leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefmilieu in de omgeving van [locatie A]. De Afdeling heeft de uitspraak van de rechtbank van 1 december 2021 vernietigd, voor zover de rechtbank daarin heeft bepaald dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen, en de uitspraak voor het overige bevestigd. De Afdeling heeft het college opgedragen om binnen zestien weken na verzending van haar uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen. Zij heeft met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld. Ook heeft de Afdeling het door het college ter uitvoering van de rechtbankuitspraak genomen besluit van 25 april 2023 vernietigd.
Nieuw besluit op bezwaar van 16 juli 2024
11.     Bij besluit van 16 juli 2024 heeft het college het bezwaar van [belanghebbende] tegen het besluit van 9 maart 2018 gegrond verklaard, dit besluit herroepen en de onttrekkingsvergunning alsnog geweigerd met toepassing van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c van de Huisvestingsverordening Schiermonnikoog 2015. Het college is bij nader inzien tot de conclusie gekomen dat het verlenen van de aangevraagde onttrekkingsvergunning zal leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van [locatie A]. Daarbij heeft het college betrokken dat het gebruik van het recreatieve gedeelte van de woning van 188 m2 door grote groepen een significante impact op de omgeving zal hebben. Martjeland is primair een woongebied. De toegang tot het recreatieve gedeelte is via de bestaande oprit en grenst direct aan het buurperceel met een woonfunctie. Het college acht het aannemelijk dat dit tot hinder en overlast zal leiden door geparkeerde fietsen, aanloop gedurende dag, avond en nacht, rolkoffers en ander rumoer. Gelet op het aantal personen dat in het recreatieve gedeelte kan verblijven, kan het recreatieve gebruik van de tuin direct naast de buurpercelen leiden tot een significant ander gebruik met bijbehorende overlast dan bij alleen woongebruik.
Beoordeling van het beroep
12.     [appellant] heeft tegen het nieuwe besluit op bezwaar van 16 juli 2024 beroep ingesteld, omdat hij het niet eens is met het alsnog weigeren van de door hem aangevraagde onttrekkingsvergunning. In zijn beroep tegen dit besluit heeft hij vrijwel dezelfde beroepsgronden aangevoerd als in zijn beroep bij de Afdeling gericht tegen het nieuwe besluit op bezwaar van het college van 23 juli 2024 over de omgevingsvergunning. In dit besluit is de in 2018 aan [appellant] verleende omgevingsvergunning om een deel van zijn woning in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken voor recreatief gebruik alsnog herroepen en is zijn vergunningaanvraag voor dit recreatieve gebruik alsnog geweigerd. De Afdeling verwijst naar de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2025:5539, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de betogen van [appellant] gericht tegen het besluit van 23 juli 2024 niet slagen. De Afdeling ziet geen aanleiding om over de identieke betogen over de geweigerde onttrekkingsvergunning anders te oordelen. Hieruit volgt dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het verlenen van de aangevraagde onttrekkingsvergunning zal leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van [locatie A]. De betogen van [appellant] slagen niet.
13.     Het beroep is ongegrond.
14.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. A.B. Blomberg en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.
w.g. Hoekstra
voorzitter
w.g. Jansen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025
609
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Huisvestingswet 2014
Artikel 21
1. Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woningvoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie woonruimte en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen gebied, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:
a. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning te onttrekken of onttrokken te houden;
b. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar met andere woonruimten samen te voegen of samengevoegd te houden:
c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden;
d. van onzelfstandige in zelfstandige woning om te zetten om omgezet te houden;
e. tot twee of meer zelfstandige woonruimten te verbouwen of in die verbouwde staat te houden.
2. De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening gevallen aanwijzen waarvoor een vrijstelling geldt of waarin een ontheffing kan worden verleend van een verbod als bedoeld in het eerste lid. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
(…).
Huisvestingsverordening Schiermonnikoog 2015
Artikel 14. Aanwijzing vergunningplichtige woonruimte
Woonruimten gelegen in de gemeente Schiermonnikoog mogen niet zonder vergunning als bedoeld in artikel 21 van Pro de wet geheel of gedeeltelijk aan de bestemming tot woning worden onttrokken.
Artikel 18 Weigeringsgronden Pro - intrekken en vervallen vergunning
1. Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van Pro de wet kan worden geweigerd als:
a. naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met de onttrekking gediende belang;
b. het onder a genoemde belang niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden en voorschriften aan de vergunning;
c. het verlenen van de vergunning zou kunnen leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op het geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het betreffende pand.
(…)