ECLI:NL:RVS:2025:5530
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet tijdig besluit machtiging voorlopig verblijf
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had eerder een beslistermijn van 90 dagen opgelegd, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvraag inhoudelijk in behandeling neemt volgens het 'first in, first out'-principe.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat deze beslistermijn in strijd is met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht en niet voldoet aan de rechtsbescherming zoals bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Daarom wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover zij de minister heeft opgedragen voor 30 november 2025 een besluit te nemen.
De Afdeling stelt een nieuwe, flexibele termijn vast: vier weken na verzending van de uitspraak van de rechtbank, met verlengingen tot acht, zestien of twintig weken afhankelijk van of de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen en/of nader onderzoek aanbiedt. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de eerdere uitspraak en stelt een nieuwe termijn voor het besluit op de aanvraag machtiging voorlopig verblijf.