AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging handhaving tegen permanente bewoning van recreatiewoningen op recreatieterrein De Konijnenberg
Appellanten bezitten elk samen met een partner een recreatiewoning op het recreatieterrein De Konijnenberg te Harderwijk, waar zij ongeveer de helft van het jaar verblijven en de andere helft in het buitenland doorbrengen. Het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk stelde dat appellanten hun recreatiewoningen als hoofdverblijf gebruiken, wat in strijd is met het bestemmingsplan en de Omgevingswet. Het college legde daarom een last onder dwangsom op om het niet-recreatieve gebruik te beëindigen.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten tegen deze besluiten ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het college bevoegd is tot handhaving en dat het gebruik als hoofdverblijf voldoende is vastgesteld aan de hand van inschrijving in de Basisregistratie Personen en toezichthoudercontroles. Appellanten stelden in hoger beroep dat hun hoofdverblijf niet op de recreatiewoningen is en dat het college had moeten afzien van handhaving vanwege een brief van de minister die tijdelijk handhaving tegen permanente bewoning zou moeten opschorten.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de gronden van appellanten in hoger beroep niet afwijken van eerdere bezwaren en dat de rechtbank gemotiveerd heeft geoordeeld. De mededeling van het college om geen executie van dwangsommen toe te passen staat los van de rechtmatigheid van de last onder dwangsom. Het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening werden ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
202505441/1/R4 en 202505441/2/R4.
Datum uitspraak: 14 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 vanPro die wet, op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B] (hierna: [appellanten]), beiden wonend in Harderwijk,
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 9 oktober 2025 in zaak nr. 25/3680, 25/2593, 25/3681 en 25/2771 in het geding tussen:
1. [appellant A],
2. [appellant B] en [partij A],
en
het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk.
Procesverloop
Bij besluit van 19 november 2024 heeft het college aan [appellant A] en [partij B] een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met het omgevingsplan permanent bewonen van een recreatiewoning.
Bij besluit van 3 december 2024 heeft het college aan [appellant B] en [partij A] een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met het omgevingsplan permanent bewonen van een recreatiewoning.
Bij besluit van 27 mei 2025 heeft het college het bezwaar van [appellant B] en [partij A] tegen het besluit van 3 december 2024 ongegrond verklaard.
Bij besluit van 30 mei 2025 heeft het college het bezwaar van [appellant A] en [partij B] tegen het besluit van 19 november 2024 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 oktober 2025 heeft de rechtbank de door [appellant A] en door [appellant B] en [partij A] tegen de besluiten van 27 mei 2025 en 30 mei 2025 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Tevens hebben [appellanten] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 6 november 2025, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. P.H.J. de Jonge, zijn verschenen.
Overwegingen
Toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Inleiding
2. [appellanten] bezitten ieder samen met een partner een recreatiewoning op het recreatieterrein "De Konijnenberg" aan de Korhoenlaan 2 in Harderwijk. Zij verblijven daar ongeveer de helft van het jaar. De andere helft van het jaar brengen ze, al dan niet in een aaneengesloten periode, in het buitenland door. Volgens het college gebruiken [appellanten] hun recreatiewoningen voor permanente bewoning, omdat uit gegevens uit de Basisregistratie Personen (hierna: de BRP) en controles van toezichthouders blijkt dat zij daar hun hoofdverblijf hebben. Volgens het college is sprake van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, omdat permanente bewoning van een recreatiewoning niet is toegestaan op grond van artikel 11.4.1 van het bestemmingsplan "Veegplan Buitengebied" dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Harderwijk. Het college heeft [appellanten] daarom onder oplegging van een dwangsom gelast om het niet-recreatieve gebruik van hun recreatiewoning te beëindigen en beëindigd te houden. In de besluiten op bezwaar heeft het college de lasten onder dwangsom in stand gelaten.
De aangevallen uitspraak
3. De rechtbank heeft de beroepen van [appellanten] tegen de besluiten op hun bezwaar ongegrond verklaard. Volgens haar is sprake van een overtreding, omdat [appellanten] in strijd met het omgevingsplan de recreatiewoningen als hoofdverblijf gebruiken. Het college is bevoegd om daartegen handhavend op te treden en moet in beginsel ook van die bevoegdheid gebruik maken. Zie overwegingen 7.2 en 8 van de aangevallen uitspraak. Verder heeft het college volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom het in de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 december 2024 aan alle gemeenten over de permanente bewoning van recreatiewoningen geen aanleiding ziet om af te zien van handhavend optreden tegen dit gebruik. Handhaving is daarom in dit geval niet onevenredig, zo concludeert de rechtbank in overwegingen 9.1 en 9.2 van de aangevallen uitspraak.
Beoordeling van het hoger beroep
4. [appellanten] betogen in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij de recreatiewoningen als hoofdverblijf gebruiken. Volgens hen zijn de recreatiewoningen niet hun hoofdverblijf, omdat zij de helft van het jaar in het buitenland zijn en dan op een ander adres of in een camper verblijven. De rechtbank heeft volgens hen ten onrechte bij haar oordeel betrokken dat zij in de BRP zijn ingeschreven op de adressen van de recreatiewoningen, terwijl zij zich alleen hebben ingeschreven omdat de gemeente daarom had gevraagd. Verder zijn de controles van de toezichthouders volgens hen onvoldoende om te kunnen concluderen dat zij de recreatiewoningen permanent bewonen.
In de tweede plaats betogen [appellanten] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college had moeten afzien van handhavend optreden vanwege de haar brief van 19 december 2024. De minister doet hierin een oproep aan de colleges van burgemeester en wethouders van alle gemeenten om niet handhavend op te treden tegen permanente bewoning van recreatiewoningen in afwachting van een nieuwe instructieregel die permanente bewoning tijdelijk toestaat.
4.1. De gronden die [appellanten] in hoger beroep hebben aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De voorzieningenrechter ziet in wat door [appellanten] in hoger beroep is aangevoerd, geen aanleiding om anders te oordelen dan wat de rechtbank heeft gedaan. De voorzieningenrechter kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7 tot en met 9.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat het college op de zitting heeft verklaard dat het in afwachting van een eventuele nieuwe instructieregel van de minister niet overgaat tot executie van verbeurde dwangsommen in het geval van niet-recreatief gebruik van recreatiewoningen. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat de mededeling van het college over de executie van verbeurde dwangsommen na een invorderingsbesluit losstaat van de vraag of de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat het college terecht de lasten onder dwangsom heeft opgelegd, die in deze procedure aan de orde is.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.