AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging vergunning voor evenement Lepeltje Lepeltje in Park Lepelenburg ondanks bezwaren
Lepeltje Lepeltje B.V. vroeg op 30 maart 2022 een vergunning aan voor een driedaags foodtruckfestival met livemuziek in Park Lepelenburg, Utrecht. De burgemeester verleende de vergunning met voorschriften over geluidsnormen en bescherming van het openbaar groen. De Stichting Behoud Lepelenburg en omstreken maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de burgemeester de geluidsnormen terecht had vastgesteld en voldoende waarborgen had opgenomen ter bescherming van het park en de bomen. De Stichting stelde dat het geluidsrapport ondeugdelijk was en dat een omgevingsvergunning ontbrak, maar deze gronden werden door de rechtbank en de Raad van State gemotiveerd verworpen.
De Raad van State bevestigde dat de burgemeester binnen zijn beoordelingsruimte handelde, dat de geluidsnormen redelijk waren vastgesteld op basis van onderzoek, en dat de bescherming van het groen adequaat was geregeld. Ook werd geoordeeld dat de omgevingsvergunning niet in deze procedure aan de orde kon komen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Stichting wordt ongegrond verklaard en de vergunningverlening bevestigd.
Uitspraak
202401581/1/A3.
Datum uitspraak: 12 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Stichting Behoud Lepelenburg en omstreken, gevestigd in Utrecht, (hierna: de Stichting)
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 januari 2024 in zaak nr. 23/454 in het geding tussen:
de Stichting
en
de burgemeester van Utrecht.
Procesverloop
Bij besluit van 9 juni 2022 heeft de burgemeester aan Lepeltje Lepeltje B.V. een evenementenvergunning verleend voor het evenement 'Lepeltje Lepeltje' op de locatie Park Lepelenburg van 22 juni 2022 tot en met 28 juni 2022, inclusief twee dagen opbouw en twee dagen afbouw.
Bij besluit van 8 december 2022 heeft de burgemeester het door de Stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 januari 2024 heeft de rechtbank het door de Stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de Stichting hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Lepeltje Lepeltje B.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Stichting heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 oktober 2025, waar de Stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. C.J.A. Boere en S.T. Lekx, zijn verschenen. Voorts is als derde-belanghebbende verschenen Lepeltje Lepeltje B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. M. Diepenhorst, advocaat te Amsterdam.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 30 maart 2022 heeft Lepeltje Lepeltje B.V. een evenementenvergunning aangevraagd voor het driedaagse evenement
'Lepeltje Lepeltje' in het Park Lepelenburg in Utrecht. Het evenement betrof een kleinschalig foodtruck festival waarbij ook livemuziek ten gehore werd gebracht. Bij besluit van 9 juni 2022 heeft de burgemeester de evenementenvergunning verleend en aan die vergunning diverse voorschriften verbonden met betrekking tot de geluidsnormen en het openbaar groen. In bezwaar heeft de burgemeester de vergunningverlening gehandhaafd. De Stichting is het niet eens met de besluitvorming.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van de Stichting ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat over de geluidsnormen al meerdere procedures zijn gevoerd. Daarin is geoordeeld dat de burgemeester de geluidsnormen voor het evenement heeft mogen vaststellen op de wijze zoals hij dat heeft gedaan en dat de wijze waarop de voorschriften zijn ingericht onaanvaardbare geluidsoverlast voorkomen. Dit oordeel is ook bevestigd door de Afdeling. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester naar die eerdere uitspraken mocht verwijzen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het geluidsvoorschrift in de vergunning duidelijk is, en dat de vergunninghouder moet meten op de dichtstbijzijnde gevel en op 100 meter van de bron. Dat de feitelijke geluidsmeting op 100 meter vanaf de bron niet is uitgevoerd, maakt niet dat het vergunningvoorschrift ondeugdelijk is. Wat betreft het parkgroen heeft de rechtbank overwogen dat de bestemming van het Park Lepelenburg ‘groen’ is en dat deze locatie onder andere bestemd is voor evenementen. Ook heeft de rechtbank overwogen dat de vergunningvoorschriften blijk geven van voldoende aandacht voor de groenvoorzieningen. De burgemeester heeft specifieke voorschriften opgenomen die zien op de bescherming van bomen en van het openbaar groen in het Park. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorschriften voldoende waarborgen bieden om schade aan het park en de bomen te voorkomen. Ook heeft de rechtbank overwogen dat de burgemeester ruime beoordelingsruimte toekomt waar het gaat om verlening van een evenementenvergunning. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester niet in strijd met wettelijke regels gehandeld. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de burgemeester alleen rekening kan en mag houden met belangen die artikel 1:8 vanPro de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 (hierna: Apv) beoogt te beschermen. Andere belangen kunnen geen grond vormen voor weigering van de vergunning; wat de stichting in zoverre heeft aangevoerd kan daarom niet leiden tot vernietiging van het besluit.
Beoordeling van het hoger beroep
3. De Stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de burgemeester de evenementenvergunning mocht verlenen. De Stichting voert hiertoe aan dat de in de vergunning gehanteerde geluidsnormen uit de Beleidsregel geluidsnormen bij buitenevenementen (hierna: de Beleidsregel) ongefundeerd zijn. Het rapport van dB-Control dat de burgemeester bij de Beleidsregel heeft gebruikt is ondeugdelijk, omdat onvoldoende onderzoek is verricht. De rechtbank heeft in haar beoordeling over de geluidsnormen ten onrechte alleen verwezen naar eerdere uitspraken van de rechtbank en de Afdeling waarin de normstelling uit deze Beleidsregel bevestigd is. Uit de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2346, blijkt juist dat er onderzoek gedaan had moeten worden naar de gevelisolatie van omliggende woningen, wat de burgemeester niet heeft gedaan.
3.1. De gronden die de Stichting in hoger beroep heeft aangevoerd over de geluidsnormen en de geluidsmeting uit de vergunningvoorschriften zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Stichting heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 15, 16 en 17 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Hier voegt de Afdeling nog aan toe dat uit de uitspraak van 23 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2277, anders dan de Stichting op zitting heeft gesteld, niet kan worden afgeleid dat de burgemeester een steekproefsgewijs onderzoek had moeten doen naar de gevelisolatie van omliggende woningen. De burgemeester heeft een geluidsonderzoek verricht dat specifiek ziet op evenementen op de locatie park Lepelenburg. De Afdeling heeft de geluidsnormen uit de Beleidsregel, die zijn vastgesteld op basis van dat onderzoek, redelijk bevonden en heeft daarbij de door de Stichting genoemde uitspraak van 10 juli 2019 al betrokken. Verder voegt de Afdeling nog toe dat niet valt in te zien dat de handhavingsstructuur uit de vergunning niet deugt. Het gesteld niet handhaven door de gemeente kan de Stichting in het kader van een handhavingsprocedure aan de orde stellen.
Het betoog slaagt niet.
4. De Stichting betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat voor het evenement ook een omgevingsvergunning had moeten worden aangevraagd op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). De burgemeester had bij de verlening van de evenementenvergunning meer rekening moeten houden met de monumentale status van het park en de bescherming van de bomen. De burgemeester had daarbij het Handboek Bomen in acht moeten nemen, aldus de Stichting.
4.1. De gronden die de Stichting in hoger beroep heeft aangevoerd over de bescherming van de bomen en de bodem en de kwalificatie van het park als rijksmonument zijn eveneens zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Stichting heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 24, 25 en 26 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Wat betreft de omgevingsvergunning voegt de Afdeling daar nog aan toe dat het ontbreken van een al dan niet verplichte omgevingsvergunning voor het evenement niet in het kader van een procedure over de verlening van de evenementenvergunning aan de orde kan komen. Hierbij wijst de Afdeling ook op de rechtsoverwegingen 18 en 19 van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester bij de verlening van een evenementenvergunning alleen rekening kan en mag houden met de rechtsbelangen zoals omschreven in de Apv ten aanzien van de evenementenvergunning. Vergelijk ook de uitspraak van 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2028 onder 4.1. De Afdeling is verder met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester bij het nemen van het besluit de relevante belangen, ook met het oog op de voorschriften, in voldoende mate heeft betrokken en dat er dan ook, anders dan de Stichting heeft aangevoerd, geen strijd is met artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. De burgemeester heeft zich bij het opstellen van de voorschriften over het parkgroen gebaseerd op het advies van een boomdeskundige. De burgemeester mocht ervan uitgaan dat deze voorschriften toereikend zijn om schade aan het parkgroen te voorkomen. Klachten over het niet juist uitvoeren van deze voorschriften, of het gestelde ontbreken van een omgevingsvergunning voor het evenement, kan de Stichting in het kader van een handhavingsprocedure aan de orde stellen. Hetzelfde geldt voor het gestelde ontbreken van een alcoholvergunning.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.