ECLI:NL:RVS:2025:5379

Raad van State

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
202501151/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 5 lid 4 Gezinsherenigingsrichtlijn
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging termijnbesluit machtiging voorlopig verblijf en vervanging door nadere termijnen

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had eerder een termijn van 90 dagen opgelegd waarbinnen de minister een besluit moest nemen, gerekend vanaf het moment dat de aanvraag inhoudelijk werd behandeld volgens het 'first in, first out'-principe.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat deze termijn in strijd is met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht en niet voldoet aan de rechtsbescherming die het recht op tijdige besluitvorming volgens artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn beoogt. Daarom vernietigt de Afdeling het vonnis voor zover het deze termijn oplegt.

In plaats daarvan stelt de Afdeling nieuwe termijnen vast: vier weken na verzending van het vonnis, acht weken indien de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen biedt, zestien weken bij nader onderzoek, en twintig weken indien beide van toepassing zijn. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €907,00 aan appellanten.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de termijn van 90 dagen en stelt nieuwe variabele termijnen voor besluitvorming vast.

Uitspraak

202501151/1/V1.
Datum uitspraak: 6 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant 1], [appellant 2], [appellant 3], [appellant 4], [appellant 5], [appellant 6], [appellant 7], [appellant 8], [appellant 9], [appellant 10] en [appellant 11],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 28 januari 2025 in zaak nr. NL24.44610 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
Bij uitspraak van 28 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en bepaald dat de minister voor 30 januari 2026 alsnog een besluit op de aanvraag bekendmaakt.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. T.M. van der Wal, advocaat in Heerenveen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Appellanten klagen in hun grieven terecht dat de rechtbank ten onrechte een beslistermijn heeft opgelegd van 90 dagen, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvraag volgens het ‘first in, first out’-principe inhoudelijk in behandeling neemt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 11 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4361, onder 4.3, is zo’n beslistermijn in strijd met de strekking van artikel 8:55d van de Awb en biedt deze niet de beoogde rechtsbescherming van het recht in artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij de minister heeft opgedragen om voor 30 januari 2026 alsnog een besluit bekend te maken. De Afdeling zal dit vervangen door een nadere termijn van vier weken na de dag van verzending van de uitspraak van de rechtbank, door acht weken als de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen aanbiedt, door zestien weken als zij nader onderzoek aanbiedt en door twintig weken als zij zowel gelegenheid tot herstel van verzuimen als nader onderzoek aanbiedt. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 28 januari 2025 in zaak nr. NL24.44610, voor zover zij de minister van Asiel en Migratie heeft opgedragen om voor 30 januari 2026 alsnog een besluit bekend te maken;
III.      vervangt de termijn in die uitspraak door vier weken na verzending van die uitspraak, door acht weken als de minister van Asiel en Migratie gelegenheid tot herstel van verzuimen aanbiedt, door zestien weken als zij nader onderzoek aanbiedt en door twintig weken als zij zowel gelegenheid tot herstel van verzuimen als nader onderzoek aanbiedt;
IV.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Gazai
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025
574-1095