Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:5242

Raad van State

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
202404733/2/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.6 lid 3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 8:81 Algemene wet bestuursrechtWet ruimtelijke ordeningCrisis- en herstelwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bestemmingsplan Dorpsstraat 97-111 te Benthuizen

De raad van de gemeente Alphen aan den Rijn stelde op 30 mei 2024 het bestemmingsplan 'Dorpsstraat 97-111, Benthuizen' vast, dat voorziet in de bouw van maximaal 40 woningen en appartementen. Het plangebied was voorheen bestemd als 'Bedrijf' en deels 'Wonen'. Diverse bewoners aan de Dorpsstraat, waaronder appellant sub 1A en appellant sub 2 en anderen, maakten bezwaar tegen het plan en verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, waarmee het bestemmingsplan zou worden geschorst totdat de Afdeling bestuursrechtspraak een uitspraak doet.

De voorzieningenrechter overwoog dat het plan binnen de overgangsregels van de Omgevingswet valt en dat het recht van voor 1 januari 2024 van toepassing is. De belangrijkste bezwaren betroffen de inpassing van de bebouwing in de omgeving, de hoogte van de appartementenvilla’s, de ruimtelijke kwaliteit en alternatieve invullingen van het plangebied. De raad had de bouwhoogte van maximaal 10 meter als passend beoordeeld en de alternatieven van appellanten als minder wenselijk afgewezen, mede op basis van toelichting van de initiatiefnemer ASB.

De voorzieningenrechter vond geen aanleiding om het plan als onaanvaardbaar te beschouwen, onder meer omdat de bouwhoogte vergelijkbaar is met omliggende bebouwing en er geen concreet beleid was dat de beoogde bebouwing aan de Ringvaart uitsluit. Ook de toegang tot de garage van appellant sub 2A en 2B werd niet als belemmering gezien, omdat er geen recht van overpad is en dit civielrechtelijk geregeld moet worden.

Gezien deze overwegingen verwacht de voorzieningenrechter niet dat het bestemmingsplan in de bodemprocedure zal worden vernietigd en wees het verzoek tot voorlopige voorziening af. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bestemmingsplan wordt afgewezen.

Uitspraak

202404733/2/R3.
Datum uitspraak: 31 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
1.       [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 1A]), beiden wonend in Benthuizen, gemeente Alphen aan den Rijn,
2.       [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] (hierna: [appellant sub 2] en anderen), allen wonend in Benthuizen, gemeente Alphen aan den Rijn,
verzoekers,
en
de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 30 mei 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Dorpsstraat 97-111, Benthuizen" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.
[appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken behandeld op een zitting van 21 oktober 2025, waar [appellant sub 2A] en [appellant sub 2C], bijgestaan door mr. M.D. Kaak, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door drs. ing. M.J. Loos, M. Gjaltema en mr. P.M. Neuteboom, zijn verschenen. Ook is op de zitting ASB Bouw en Ontwikkeling (hierna: ASB), vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 7 september 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Het plan voorziet in de bouw van maximaal 40 woningen en appartementen aan de Dorpsstraat 97-111 in Benthuizen. Het plangebied wordt in het noorden begrensd door de Ringvaart en in het zuiden door de Dorpsstraat. Binnen het plangebied gold eerder de bestemming "Bedrijf" en voor een klein deel "Wonen". ASB is de initiatiefnemer en ontwikkelaar van het plan.
3.       [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen wonen allemaal aan de Dorpsstraat. Zij kunnen zich om meerdere redenen niet vinden in de huidige vorm van het plan.
4.       Op 9 juli 2025 zijn twee omgevingsvergunningen aangevraagd voor de uitvoering van het plan. Naar aanleiding hiervan hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het bestemmingsplan wordt geschorst totdat de Afdeling op het beroep heeft beslist.
Beoordeling van de verzoeken
5.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
6.       [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen hebben voor de gronden van hun verzoeken verwezen naar hun beroepschriften. De voorzieningenrechter kan in deze procedure niet alle gronden behandelen. Daarom zal de voorzieningenrechter zich beperken tot de gronden die op de zitting door [appellant sub 2] en anderen als belangrijkst zijn aangewezen en de gronden die naar het oordeel van de voorzieningenrechter eventueel kunnen leiden tot schorsing van het bestemmingsplan.
[appellant sub 1A] was niet aanwezig op de zitting. Daarom heeft de voorzieningenrechter niet kunnen vragen wat de belangrijkste gronden van haar verzoek zijn. Omdat de beroepsgronden van [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen voor het grootste deel overeenkomen, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat zij dezelfde gronden belangrijk vinden.
Ondeugdelijke motivering op grond van het vorige bestemmingsplan
7.       [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad ten onrechte stelt dat dit plan past binnen de planologische mogelijkheden van het vorige bestemmingsplan "Benthuizen", vastgesteld op 26 september 2013.
7.1.    Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de raad het plan heeft gemotiveerd door de enkele stelling dat het past binnen de mogelijkheden van het vorige bestemmingsplan.         De raad heeft wel vergelijkingen gemaakt tussen de oude en de nieuwe planologische situatie. De voorzieningenrechter overweegt dat dat op zichzelf niet onzorgvuldig is.
Het betoog slaagt niet.
Inpassing van het plan
8.       [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat de geplande bebouwing niet in de omgeving past. Zij voeren aan dat de appartementenvilla’s te hoog worden, waardoor deze ver boven de bestaande bebouwing uitsteken en het dorpssilhouet aantasten. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat het plangebied zich bevindt op een gevoelige locatie tussen de historische Dorpsstraat en de groen-blauwe lintstructuur van de Dijk. Op de zitting hebben zij in dit kader gewezen op de Omgevingsvisie en gesteld dat de Ringvaart ook belangrijk is, terwijl de beoogde bebouwing daar niet past. De afwijkende rooilijnen langs de Dijk en de inrit van de ondergrondse parkeergelegenheid tasten de relatie met de historische dijklint aan. Tot slot staan er aan de Ringvaart geen gestapelde woningen en zijn de appartementenvilla’s daarom niet passend.
8.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de met het plan mogelijk gemaakte bebouwing past binnen de omgeving. Een maximale bouwhoogte van 10 m acht de raad gelet op de maximale bouwhoogtes van omliggende bebouwing aanvaardbaar. De raad heeft als bijlage 1 bij het verweerschrift een overzicht gegeven van de maximale bouwhoogtes van omliggende bebouwing.
Op de zitting heeft de raad toegelicht dat de Dorpsstraat als cultuurhistorisch gewaardeerd wordt en dat dit in een los bestemmingsplan ook zo beschermd wordt. Daar is bij dit plan rekening mee gehouden. De Ringvaart is niet aangewezen als cultuurhistorisch waardevol.
8.2.    De voorzieningenrechter ziet in wat is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet aanvaardbaar heeft mogen achten vanwege de inpassing in de omgeving.
De voorzieningenrechter overweegt dat de maximale bouwhoogte van de appartementenvilla’s van 10 m vergeleken met de maximale bouwhoogtes van omliggende bebouwing niet zo hoog is dat dit niet binnen de omgeving past.
Verder hebben [appellant sub 2] en anderen niet gewezen op concreet beleid waaruit volgt dat de beoogde bebouwing aan de Ringvaart daar niet stedenbouwkundig past. Ook het feit dat er nog geen gestapelde woningen aan de Ringvaart staan, acht de voorzieningenrechter onvoldoende voor het oordeel dat de raad de beoogde appartementenvilla’s daarom niet aanvaardbaar heeft mogen achten.
Het betoog slaagt niet.
Alternatieven
9.       [appellant sub 2] en anderen betogen dat hun voorgestelde alternatieve invullingen van het plangebied beter in de omgeving passen en de ruimtelijke kwaliteit beter borgen dan het vastgestelde plan. De raad heeft deze alternatieven onvoldoende gemotiveerd afgewezen.
9.1.    De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.
In dit geval gaat het om een bestemmingsplan dat op verzoek van ASB is vastgesteld. De voorzieningenrechter overweegt dat de raad terecht heeft gesteld dat het in de eerste plaats aan een initiatiefnemer is om met een ontwerp voor de invulling van een project te komen. Vervolgens is het aan de raad om te beoordelen of dat plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De voorzieningenrechter overweegt dat ASB niet hoeft in te stemmen met aangedragen alternatieven als zij deze minder wenselijk acht.
ASB heeft op de zitting toegelicht dat de door [appellant sub 2] en anderen aangedragen alternatieven niet wenselijk zijn omdat die alternatieven in totaal minder woningen en een andere typen woningen mogelijk maakt dan in het plan. Dat komt volgens ASB omdat er in de alternatieven van [appellant sub 2] en anderen door de lus in de weg te weinig ruimte overblijft binnen het plangebied. De raad heeft ook op stedenbouwkundig vlak geen aanleiding gezien te kiezen voor de alternatieven.
Gelet op deze motivering en op de overweging onder 8.2 over de stedenbouwkundige inpassing, heeft de raad de door [appellant sub 2] en anderen voorgestelde alternatieven afgewogen bij de vaststelling van het plan en toereikend gemotiveerd waarom niet voor die alternatieven is gekozen.
Het betoog slaagt niet.
Toegang tot garage van [appellant sub 2]
10.     [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] voor toegang tot hun garage gebruik maken van gronden in het plangebied. De raad had dit in het plan moeten borgen.
10.1.  Niet is gebleken dat [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] een recht van overpad hebben voor de toegang tot hun garage. Daarom is er geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Ook overweegt de voorzieningenrechter dat de planregels op zichzelf niet in de weg staan aan het gebruik van de gronden als toegangsweg voor de garage. De toegang tot de garage via gronden van een andere eigenaar zal in dit geval daarom verder civielrechtelijk geregeld moeten worden. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] bij toegang tot hun garage.
Overige gronden
11.     In wat [appellant sub 1A] en [appellant sub 2] en anderen verder hebben aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor de verwachting dat het bestemmingsplan in de beroepszaak geen stand zal houden.
Conclusie
12.     Gelet op het voorgaande verwacht de voorzieningenrechter niet dat het bestemmingsplan in de beroepsprocedure uiteindelijk geen stand zal houden. De verzoeken worden daarom afgewezen.
13.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst de verzoeken af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Schadd, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Schadd
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2025
1076