ECLI:NL:RVS:2025:5240
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens intrekking besluit machtiging voorlopig verblijf
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen twintig weken alsnog een besluit te nemen. Vervolgens heeft appellant verzet ingesteld tegen deze uitspraak, waarna de minister alsnog op 27 augustus 2025 het besluit heeft genomen en de aanvraag ingewilligd.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat door het genomen besluit het doel van de procedure is bereikt en appellant geen belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep. Daarom is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Wel is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellant heeft gemaakt in verband met het hoger beroep, omdat de minister door het alsnog nemen van het besluit aan appellant tegemoet is gekomen. De vergoeding is vastgesteld op €453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Het besluit van de minister van 27 augustus 2025 is volledig tegemoetkomend aan de aanvraag van appellant, die geen bezwaar heeft gemaakt tegen dit besluit. Hierdoor is geen beroep van rechtswege ontstaan waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister inmiddels een besluit heeft genomen, en de minister is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.