ECLI:NL:RVS:2025:5141

Raad van State

Datum uitspraak
24 oktober 2025
Publicatiedatum
24 oktober 2025
Zaaknummer
202502751/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:72 AwbArt. 5 lid 4 Gezinsherenigingsrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over beslistermijn machtiging voorlopig verblijf

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De rechtbank had eerder een beslistermijn van 90 dagen opgelegd, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvragen inhoudelijk in behandeling neemt volgens het 'first in, first out'-principe.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat deze beslistermijn in strijd is met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en niet voldoet aan de rechtsbescherming die artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn beoogt. Daarom vernietigt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de minister opdraagt om voor 2 mei 2026 een besluit te nemen.

De Afdeling stelt een nieuwe beslistermijn vast die varieert van vier tot twintig weken, afhankelijk van of de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen en/of nader onderzoek aanbiedt. Tevens wijst de Afdeling het verzoek van appellanten af om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, Awb een voorlopige voorziening toe te kennen om in Nederland te verblijven totdat een besluit is genomen, vanwege de onomkeerbare gevolgen daarvan.

Tot slot veroordeelt de Afdeling de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellanten, vastgesteld op €907,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de beslistermijn van de rechtbank wordt vernietigd en vervangen door een nieuwe termijn, het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

202502751/1/V1.
Datum uitspraak: 24 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant 1], [appellant 2], [appellant 3], [appellant 4] en [appellant 5],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 29 april 2025 in zaak nr. NL25.13360 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen.
Bij uitspraak van 29 april 2025 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en bepaald dat de minister voor 2 mei 2026 alsnog een besluit op de aanvragen bekendmaakt.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat in Sittard, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Appellanten klagen in hun grieven terecht dat de rechtbank ten onrechte een beslistermijn heeft opgelegd van 90 dagen, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvragen volgens het ‘first in, first out’-principe inhoudelijk in behandeling neemt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 11 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4361, onder 4.3, is zo’n beslistermijn in strijd met de strekking van artikel 8:55d van de Awb en biedt deze niet de beoogde rechtsbescherming van het recht in artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De grieven slagen. Daarom bestaat geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen, zoals appellanten verzoeken.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij de minister heeft opgedragen om voor 2 mei 2026 alsnog een besluit bekend te maken. De Afdeling zal dit vervangen door een nadere termijn van vier weken na de dag van verzending van de uitspraak van de rechtbank, door acht weken als de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen aanbiedt, door zestien weken als zij nader onderzoek aanbiedt en door twintig weken als zij zowel gelegenheid tot herstel van verzuimen als nader onderzoek aanbiedt.
3.       Daarnaast hebben appellanten de Afdeling verzocht om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij naar Nederland mogen komen en hier mogen verblijven tot het moment waarop de minister een besluit op hun mvv-aanvragen heeft genomen. Gelet op de onomkeerbare gevolgen van de gevraagde voorziening, wijst de Afdeling het verzoek af.
4.       De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 29 april 2025 in zaak nr. NL25.13360, voor zover zij de minister van Asiel en Migratie heeft opgedragen om voor 2 mei 2026 alsnog een besluit bekend te maken;
III.      vervangt de termijn in die uitspraak door vier weken na verzending van die uitspraak, door acht weken als de minister van Asiel en Migratie gelegenheid tot herstel van verzuimen aanbiedt, door zestien weken als zij nader onderzoek aanbiedt en door twintig weken als zij zowel gelegenheid tot herstel van verzuimen als nader onderzoek aanbiedt;
IV.     wijst het verzoek af;
V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2025
282-1095