ECLI:NL:RVS:2025:4972
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging termijnbesluit machtiging voorlopig verblijf wegens strijd met bestuursrecht en richtlijn
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en de minister een termijn tot 30 augustus 2026 gegeven om alsnog een besluit te nemen.
In hoger beroep klaagt appellant terecht dat de rechtbank ten onrechte een beslistermijn van 90 dagen hanteerde, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvraag inhoudelijk in behandeling neemt volgens het 'first in, first out'-principe. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat deze termijn in strijd is met artikel 8:55d van de Awb en niet voldoet aan de rechtsbescherming van artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het deel van de uitspraak waarin de termijn van 30 augustus 2026 is gesteld en vervangt deze door een variabele termijn van vier tot twintig weken, afhankelijk van of de minister herstel van verzuimen en/of nader onderzoek aanbiedt. Tevens veroordeelt de Afdeling de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de termijn voor het nemen van een besluit wordt vervangen door een nieuwe termijnregeling van maximaal twintig weken.