ECLI:NL:RVS:2025:4783
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet tijdig besluit machtiging voorlopig verblijf
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen 90 dagen een besluit te nemen, gerekend vanaf het moment dat de aanvraag inhoudelijk werd behandeld volgens het 'first in, first out'-principe.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat deze beslistermijn in strijd is met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht en niet voldoet aan de rechtsbescherming zoals bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Daarom vernietigt de Afdeling het vonnis voor zover het de minister een termijn tot 30 mei 2026 oplegt.
De Afdeling stelt een nieuwe, flexibele termijn vast: vier weken na verzending van de uitspraak van de rechtbank, met verlengingen tot acht, zestien of twintig weken afhankelijk van of de minister herstel van verzuimen en/of nader onderzoek aanbiedt. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellanten.
De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en een nieuwe termijn voor besluitvorming vastgesteld.