ECLI:NL:RVS:2025:4741
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en vervanging beslistermijn machtiging voorlopig verblijf wegens strijd met Awb en richtlijn
Appellant had beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had op 11 maart 2025 het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen 90 dagen een besluit te nemen, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvraag inhoudelijk in behandeling nam volgens het 'first in, first out'-principe.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de door de rechtbank opgelegde beslistermijn van 90 dagen niet strookt met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en onvoldoende rechtsbescherming biedt conform artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van de uitspraak dat de minister een termijn van 29 september 2025 oplegde en verving deze door een flexibele termijn die varieert van vier tot twintig weken, afhankelijk van of de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen en/of nader onderzoek aanbiedt.
Daarnaast veroordeelde de Afdeling de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant, vastgesteld op €907,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2025.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en vervangt de beslistermijn door een flexibele termijn van vier tot twintig weken.