ECLI:NL:RVS:2025:4736

Raad van State

Datum uitspraak
3 oktober 2025
Publicatiedatum
3 oktober 2025
Zaaknummer
202401042/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91, tweede lid, Vw 2000
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking verblijfsvergunning asiel en afwijzing herhaalde aanvraag

Appellant kreeg in 2013 zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. In 2015 werd een herhaalde aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd afgewezen. Een verzoek om bestuurlijke heroverweging in 2021 en bezwaar in 2023 werden eveneens ongegrond verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten in januari 2024 ongegrond. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep geen gronden bevat die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom bevestigt zij de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

202401042/1/V3.
Datum uitspraak: 3 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 januari 2024 in zaak nr. NL22.25501 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 mei 2013 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken. Bij besluit van 16 maart 2015 heeft de staatssecretaris een herhaalde aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 14 november 2021 heeft de staatssecretaris een verzoek van appellant om bestuurlijke heroverweging van de besluiten van 6 mei 2013 en 16 maart 2015, afgewezen.
Bij besluit van 10 september 2023 heeft de staatssecretaris het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 14 november 2021 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 januari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. I. Petkovski, advocaat in Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 5.1 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Dijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2025
967