ECLI:NL:RVS:2025:4719
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet tijdig besluit machtiging voorlopig verblijf
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen 90 dagen een besluit te nemen, gerekend vanaf het moment dat de aanvraag inhoudelijk werd behandeld volgens het 'first in, first out'-principe.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat deze beslistermijn in strijd is met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht en niet voldoet aan de rechtsbescherming zoals bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Daarom vernietigt de Afdeling het deel van de uitspraak waarin de termijn van 30 mei 2025 is vastgesteld.
In plaats daarvan stelt de Afdeling een nieuwe termijn vast die varieert van vier tot twintig weken, afhankelijk van of de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen en/of nader onderzoek aanbiedt. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellanten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de beslistermijn wordt vervangen door een nieuwe termijn variërend van vier tot twintig weken.