ECLI:NL:RVS:2025:4234
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen weigering bevestiging optieverklaring Nederlanderschap
Appellant legde op 22 september 2023 bij de Nederlandse ambassade in Paramaribo een optieverklaring af op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De minister van Buitenlandse Zaken weigerde deze verklaring bij besluit van 14 november 2023 te bevestigen, omdat appellant niet aan de vereisten van deze bepaling zou voldoen. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij eigenlijk een optieverklaring wilde afleggen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Op 29 november 2024 legde hij een tweede optieverklaring af op die grondslag. De minister weigerde ook deze verklaring bij besluit van 15 januari 2025 te bevestigen, maar nam deze aanvraag wel inhoudelijk in behandeling.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant met het afleggen van de tweede optieverklaring en de inhoudelijke behandeling daarvan door de minister het doel van zijn hoger beroep had bereikt. Hierdoor ontbrak het appellant aan procesbelang bij het hoger beroep tegen het eerste besluit. Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij de proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.