ECLI:NL:RVS:2025:4151
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen op 20 juli 2022. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat eveneens ongegrond werd verklaard op 19 oktober 2022. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die op 21 juni 2024 de afwijzing bevestigde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat appellant niet alle vereiste documenten, zoals vermeld in bijlage 8aa bij het Voorschrift Vreemdelingen 2000, artikel 3.20a, vierde lid, had overgelegd. Ook gaf appellant geen overtuigende verklaring waarom deze stukken ontbraken. Hierdoor mocht de minister van horen afzien en de aanvraag zonder verdere toetsing afwijzen.
De Afdeling vond geen aanleiding tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Tevens werd bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. Het hoger beroep bevatte geen vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming, waardoor verdere motivering achterwege bleef.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.