ECLI:NL:RVS:2025:4150

Raad van State

Datum uitspraak
28 augustus 2025
Publicatiedatum
28 augustus 2025
Zaaknummer
202501859/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6 lid 3 Vw 2000Art. 9 lid 1 OpvangrichtlijnArt. 106 lid 1 Vw 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over te lange grensdetentie en toekenning schadevergoeding

Appellant werd op 25 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie, waarna hij in grensdetentie werd geplaatst. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de grensdetentie vanaf 24 februari 2025, dertien weken na oplegging van de maatregel, onrechtmatig was omdat appellant op die datum toegang tot Nederland had moeten krijgen. De rechtbank had dit onrechtmatig karakter moeten erkennen.

De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en kende appellant een schadevergoeding van €4.000 toe over de periode van 24 februari tot en met 4 april 2025. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. Omdat de grensdetentie inmiddels was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en kent appellant een schadevergoeding toe wegens te lange grensdetentie.

Uitspraak

202501859/1/V3.
Datum uitspraak: 28 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 maart 2025 in zaak nr. NL25.11600 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2024 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 26 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Koelman, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Appellant klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de grensdetentie niet in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn te lang heeft voortgeduurd. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925, onder 3.8, duurt grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 in ieder geval te lang na dertien weken vanaf de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel.
1.1.    Het asielberoep van appellant is op 20 februari 2025 op een zitting behandeld, twaalf weken en vier dagen nadat hij in grensdetentie is geplaatst. De behandeling van het asielberoep is vervolgens aangehouden en de zitting is opnieuw gepland op 1 april 2025. Omdat de minister appellant op 24 februari 2025 toegang had moeten verlenen tot Nederland, de dag nadat de termijn van dertien weken verstreek, had de rechtbank in haar uitspraak tot de conclusie moeten komen dat de grensdetentie vanaf die dag onrechtmatig was. De Afdeling wijst op de onder 1 genoemde uitspraak van 1 juli 2025.
2.       De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de grensdetentie vanaf een eerder moment dan 24 februari 2025 onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is alsnog gegrond. Omdat de grensdetentie al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan appellant toegekend. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 maart 2025 in zaak nr. NL25.11600;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      kent aan betrokkene een vergoeding toe van € 4.000,00 over de periode van 24 februari 2025 tot en met 4 april 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jiawan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2025
1017