ECLI:NL:RVS:2025:4147
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Appellant heeft op 17 december 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar en beroep bij de rechtbank, heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 27 mei 2024.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant niet alle volgens het Voorschrift Vreemdelingen 2000 vereiste stukken heeft overgelegd. Hierdoor mocht de minister de aanvraag zonder voorlegging aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland afwijzen. Tevens heeft appellant geen steekhoudende verklaring gegeven voor het ontbreken van deze stukken, waardoor de minister van het horen mocht afzien.
Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Raad van State bevestigt de uitspraak en wijst het hoger beroep af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het hogerberoepschrift bevat geen vragen die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.