ECLI:NL:RVS:2025:4064

Raad van State

Datum uitspraak
25 augustus 2025
Publicatiedatum
25 augustus 2025
Zaaknummer
202503049/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over proceskostenvergoeding in asielzaak

Appellant had een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit over de ingangsdatum van de vergunning. Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank, specifiek over de hoogte van de proceskostenvergoeding.

De Afdeling bestuursrechtspraak constateerde dat de rechtbank ten onrechte slechts één punt had toegekend voor de proceskostenvergoeding, terwijl appellant ook een punt had moeten krijgen voor het verschijnen op de zitting. Dit bleek uit het onderzoeksbesluit waarin stond dat appellant en zijn gemachtigde op de zitting aanwezig waren.

De Afdeling vernietigde daarom het deel van de uitspraak over de proceskostenvergoeding en veroordeelde de minister tot een hogere vergoeding van € 2.267,50, bestaande uit € 1.814,00 voor het beroep en € 453,50 voor het hoger beroep. Het hoger beroep betrof uitsluitend de proceskostenvergoeding en de Afdeling paste een wegingsfactor van 0,5 toe.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis over de proceskostenvergoeding en veroordeelt de minister tot een hogere vergoeding van € 2.267,50 aan appellant.

Uitspraak

202503049/1/V1.
Datum uitspraak: 25 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 april 2025 in zaak nr. NL23.18978 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Bij uitspraak van 30 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover dat gaat over de ingangsdatum van de verblijfsvergunning, de ingangsdatum van de verblijfsvergunning bepaald op 24 juni 2022 en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van dat besluit.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.A. Krikke, advocaat in Bussum, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       In de enige grief betoogt appellant terecht dat de rechtbank een punt te weinig heeft toegekend bij de berekening van de proceskostenvergoeding. In de uitspraak van de rechtbank staat onder 1.2 dat de rechtbank zonder zitting uitspraak doet en onder 9 dat zij aan appellant één punt toekent voor het indienen van het beroepschrift. Uit de beslissing tot heropening van het onderzoek van de rechtbank van 15 april 2024 blijkt echter dat op 25 maart 2024 wel een onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden en dat appellant met zijn gemachtigde is verschenen. Gelet op de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht had de rechtbank hiervoor ook een punt moeten toekennen. De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank de minister heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 907,00. De Afdeling zal de minister voor de proceskosten in beroep veroordelen tot vergoeding van een bedrag van € 1.814,00 (een punt voor het beroepschrift en een punt voor het verschijnen op de zitting). De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de beslissing van de rechtbank over de hoogte van de proceskostenvergoeding. De Afdeling past daarom de wegingsfactor 0,5 toe.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 april 2025 in zaak nr. NL23.18978, voor zover zij de minister van Asiel en Migratie heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 907,00;
III.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.267,50 (€ 1.814,00 voor het beroep en € 453,50 voor het hoger beroep), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Mercelina
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2025
938-1173