ECLI:NL:RVS:2025:4051
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke bij besluit van 29 april 2025 is afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 1 augustus 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Tevens werden de belangen van zowel verzoeker als de minister afgewogen.
Gelet op het voorlopig oordeel en de belangenafweging heeft de voorzieningenrechter besloten geen voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 22 augustus 2025 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het niet aannemelijk is dat het hoger beroep zal slagen.