ECLI:NL:RVS:2025:3947
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Appellant heeft op 4 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Hiertegen maakte appellant bezwaar, dat bij besluit van 26 februari 2024 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 12 juni 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die in het belang zijn van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De Afdeling verwijst naar een eerdere uitspraak van 9 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3171) waarin een vergelijkbare rechtsvraag is beantwoord.
Daarom leidt het hoger beroep niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraak. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.