ECLI:NL:RVS:2025:3903
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en toekenning schadevergoeding wegens te lange grensdetentie
Bij besluit van 11 december 2024 legde de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel op. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de voortzetting van deze maatregel niet-ontvankelijk. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank onterecht het beroep niet-ontvankelijk had verklaard en dat het beroep inhoudelijk beoordeeld moest worden. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en behandelde het hoger beroep zelf.
In het hoger beroep werd geoordeeld dat de duur van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd was met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, omdat de grensdetentie langer dan dertien weken had geduurd. De grensdetentie was onrechtmatig vanaf 13 maart 2025 tot en met 3 april 2025. Omdat de grensdetentie inmiddels was beëindigd, werd geen bevel tot onmiddellijke opheffing gegeven, maar appellant kreeg recht op een schadevergoeding van € 2.200,00. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en appellant krijgt een schadevergoeding toegekend wegens te lange grensdetentie.