ECLI:NL:RVS:2025:3806

Raad van State

Datum uitspraak
13 augustus 2025
Publicatiedatum
13 augustus 2025
Zaaknummer
202503216/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 15 Kwalificatierichtlijn
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering risico in Jemen

Appellant diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie bij besluit van 24 maart 2025 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond bij uitspraak van 28 mei 2025. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister niet deugdelijk had gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van een meest uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Daarbij waren niet alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking genomen, wat in strijd is met eerdere jurisprudentie van de Afdeling.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van de minister. De minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant, die verband houden met de behandeling van het beroep en hoger beroep.

Uitkomst: Het besluit van de minister wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen; tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202503216/1/V2.
Datum uitspraak: 13 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 28 mei 2025 in zaak nr. NL25.14868 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 maart 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 28 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Kurt, advocaat in 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Bij uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister de beoordeling in het beleid in paragraaf C7/19.4.2 van de Vc 2000 of in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Bij deze beoordeling zijn namelijk niet alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking genomen. Gelet op deze uitspraak van de Afdeling, onder 4.2, 6 en 6.1, klaagt appellant in de tweede grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, en dat niet kan worden aangenomen dat hij alleen door zijn aanwezigheid in Jemen een reëel risico loopt op ernstige schade.
1.1.    De derde grief slaagt.
2.       Wat appellant aanvoert in de eerste, tweede en vierde grief behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 24 maart 2025. Dit betekent dat de minister een nieuw besluit moet nemen op de aanvraag van appellant. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 28 mei 2025 in zaak nr. NL25.14868;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 24 maart 2025, V-[…];
V.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Toonen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2025
979