ECLI:NL:RVS:2025:3773
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep tegen afwijzing rechtmatig verblijf gemeenschapsonderdaan
Appellant heeft bij besluit van 6 juli 2022 een aanvraag ingediend voor een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, dat rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan aantoont. Deze aanvraag is door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen. Vervolgens heeft appellant bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing, dat bij besluit van 23 april 2024 ongegrond werd verklaard.
Appellant heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die bij uitspraak van 18 april 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Hiertegen heeft appellant hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling stelt vast dat appellant in het hoger beroep niet heeft toegelicht waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. Hierdoor is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard conform artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister is niet verplicht proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van mr. J.H. van Breda op 11 augustus 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een gemotiveerd beroepschrift.