ECLI:NL:RVS:2025:3769

Raad van State

Datum uitspraak
11 augustus 2025
Publicatiedatum
11 augustus 2025
Zaaknummer
202504046/1/V2 en 202504046/2/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 91 Vw 2000Art. 92 Vw 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na hoger beroep

Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen bij besluiten van 18 maart 2025 en 28 mei 2025.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond bij uitspraak van 9 juli 2025. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening behandeld. De voorzieningenrechter heeft het oordeel van de rechtbank overgenomen en het hoger beroep ongegrond verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.J.C. de Moor-van Vugt op 11 augustus 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

202504046/1/V2 en 202504046/2/V2.
Datum uitspraak: 11 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 9 juli 2025 in zaak nr. NL25.13889 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 18 maart 2025, gewijzigd bij besluit van 28 mei 2025, heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 9 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.P.M. Ngasirin, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De voorzieningenrechter van de Afdeling neemt de motivering onder 6.1, 6.1.1, 7.1 en 8.1 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
voorzieningenrechter
w.g. Huizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2025
987