ECLI:NL:RVS:2025:3757
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000
Appellant heeft bij besluit van 25 juli 2023 een aanvraag ingediend om uitstel van vertrek te verkrijgen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Dit verzoek is door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen. Appellant maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd bij besluit van 3 oktober 2023 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 13 mei 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij de beoordeling van het hoger beroep heeft de Afdeling de motivering van de rechtbank overgenomen en geoordeeld dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard.
De Afdeling bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. Het besluit tot afwijzing van het verzoek om uitstel van vertrek blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om uitstel van vertrek wordt bevestigd.