ECLI:NL:RVS:2025:3745

Raad van State

Datum uitspraak
7 augustus 2025
Publicatiedatum
7 augustus 2025
Zaaknummer
202503629/2/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 3 AwbArt. 8:26 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening minister asiel en migratie inzake opvang Landelijke Vreemdelingenvoorziening

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid sommeerde betrokkene op 23 januari 2024 om de opvang in de Landelijke Vreemdelingenvoorziening te verlaten. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze sommatie, dat op 23 mei 2024 niet-ontvankelijk werd verklaard door de staatssecretaris.

De rechtbank Den Haag verklaarde bij uitspraak van 26 mei 2025 het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar moest nemen. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 7 augustus 2025 bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de minister geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen totdat het hoger beroep is beslist. De gemeente Amsterdam werd als partij betrokken en bracht een schriftelijke uiteenzetting uit. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De minister hoeft geen nieuw besluit op bezwaar te nemen totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

202503629/2/V1.
Datum uitspraak: 7 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 mei 2025 in zaak nr. 24/9496 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij brief van 23 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene gesommeerd om de opvang in de Landelijke Vreemdelingenvoorziening te verlaten.
Bij besluit van 23 mei 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 26 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, dat de Afdeling krachtens artikel 8:26 van Pro de Awb in de gelegenheid heeft gesteld om als partij aan het geding deel te nemen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat zij geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen totdat de Afdeling op haar hoger beroep heeft beslist.
2.       Gelet op de belangen die partijen naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2025
574-1118