ECLI:NL:RVS:2025:359
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep asielzaak
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 30 mei 2024 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 29 november 2024 het besluit vernietigde maar de rechtsgevolgen in stand liet. Tegen deze uitspraak werd hoger beroep ingesteld en tegelijkertijd verzocht de vreemdeling om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het verzoek om niet-uitzetting en opvang gegrond was, mede gelet op eerdere jurisprudentie. Daarom werd een voorlopige voorziening getroffen waarbij de vreemdeling niet mocht worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt.
Daarnaast werd de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €907,00, toe te rekenen aan beroepsmatige rechtsbijstand verleend door een derde partij. De uitspraak werd op 30 januari 2025 in het openbaar gedaan.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.