ECLI:NL:RVS:2025:3578
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding en toekenning vergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen een besluit van de minister voor Rechtsbescherming waarbij haar verzoek om informatie op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) werd toegewezen, maar het verzoek om schadevergoeding wegens het onterecht verzenden van een brief werd afgewezen. De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard en dit oordeel wordt door de Afdeling bevestigd.
Appellante stelde dat het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) niet bevoegd was en dat de minister onrechtmatig had gehandeld door persoonsgegevens te verwerken en niet de juiste informatie te verstrekken. De Afdeling oordeelt dat de minister aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan en dat het verzoek om schadevergoeding terecht is afgewezen omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in haar eer of goede naam is aangetast.
Daarnaast heeft appellante een schadevergoeding gevorderd wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bestuursrechtelijke procedure. De Afdeling constateert dat de procedure vier jaar en vijf maanden heeft geduurd, wat vijf maanden langer is dan de redelijke termijn. De overschrijding wordt deels toegerekend aan de minister en deels aan de Afdeling, en er wordt een forfaitaire vergoeding van € 500 toegekend, verdeeld over de Staat en de minister.
De Afdeling veroordeelt de Staat tot betaling van € 333,33 en de minister tot betaling van € 166,67 aan appellante als vergoeding voor immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn. De overige vorderingen worden afgewezen en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; schadevergoeding van € 500 toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.