Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3515

Raad van State

Datum uitspraak
28 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
202407329/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 15 Kwalificatierichtlijnparagraaf C7/19.4.2 Vc 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 20 juni 2024 de aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank, die op 28 november 2024 het besluit vernietigde wegens onvoldoende motivering van de minister over de humanitaire situatie in Jemen en de toepassing van artikel 15 van Pro de Kwalificatierichtlijn.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde op 28 juli 2025 dat het hoger beroep ongegrond is omdat de minister niet deugdelijk had gemotiveerd hoe de slechte humanitaire situatie in Jemen en andere relevante omstandigheden waren meegewogen.

De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en volledige motivering bij besluiten over asielaanvragen in uitzonderlijke situaties.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de vernietiging van de afwijzing van de verblijfsvergunning en verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond.

Uitspraak

202407329/1/V2.
Datum uitspraak: 28 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 november 2024 in zaak nr. NL24.26172 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 20 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 28 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. C. Mayne, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Bij uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister de beoordeling in het beleid in paragraaf C7/19.4.2 van de Vc 2000 of in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Bij deze beoordeling zijn namelijk niet alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking genomen. Gelet op deze uitspraak van de Afdeling, onder 4.2, 6 en 6.1, heeft de rechtbank dus terecht overwogen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe zij de slechte humanitaire situatie in Jemen in combinatie met de andere door betrokkene overgelegde informatie over het actuele geweldsniveau en andere relevante omstandigheden weegt in de beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
1.1.    De grief slaagt niet.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Salverda
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2025
992