ECLI:NL:RVS:2025:3489
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel in hoger beroep en voorlopige voorziening
Appellant heeft op 3 december 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister is afgewezen. Hiertegen stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die op 10 juli 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening behandeld.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen en dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
De minister is niet verplicht proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 25 juli 2025 in het openbaar uitgesproken door voorzieningenrechter J.H. van Breda in aanwezigheid van griffier T. Toonen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.